‘Zo we hebben het bijna gehad.’
‘Nog twee stuks pa.’
Een beer van een vent, met een glimmend kaal hoofd, staat naast zijn witte Mercedes met aanhanger. Naast hem bukt een jonge vrouw met een paardenstaart om de laatste stukken hout te pakken. Op de achterbank zit een peuter met zijn handen tegen het raam.
Hans en ik tillen een lange ijzeren pijp uit de auto en we lopen richting de container voor oud ijzer.
Dan klinkt er gevloek.
‘Kanonnen zeg. Dit meen je niet.’
Grote Beer trekt aan het portier van zijn Mercedes. Nog een keer. En nog een keer. Niets.
‘Laat Jonas maar zitten’, had hij even daarvoor tegen zijn dochter gezegd. ‘Anders staan we hier morgen nog.’
Maar nu had de peuter zichzelf opgesloten.
‘Jonas heeft vast aan de knopjes gezeten’, zegt de vrouw.
Ik draai mijn hoofd om, om niets van dit tafereel te missen.
‘Siem, even opletten, straks loop je ergens tegen aan.’
Hans en ik lopen naar de container en laten de pijp vallen.
Als we terugkomen, staat Grote Beer nog steeds aan de portieren te trekken. Het begint te regenen.
‘Bent u uw autosleutel kwijt?’, vraag ik aan de man.
‘Nee, die zit nog er nog in.’
Zonder na te denken floep ik eruit: ‘Je moet ook nóóit je sleutel in het contact laten zitten.’
Ik heb onmiddellijk spijt van mijn opmerking en aan de dreigende blik van Grote Beer te zien kan hij het ook niet waarderen.
Hij schudt zijn hoofd en draait zich weer om. ‘Jonas, trek aan het knopje.’
Met duim en wijsvinger in de lucht doet hij voor wat zijn kleinzoon moet doen. Jonas zit in zijn eigen wereld en kijkt niet op of om.
Zijn moeder probeert het ook.
‘Kijk eens naar mama Jonas.’
Hans besteedt er geen aandacht aan en sjouwt stug door met verrotte houten delen.
Ondertussen probeer ik me zo onopvallend mogelijk te gedragen. Met deze man wil ik het niet aan de stok krijgen. Even spiek ik naar Jonas op de achterbank die in zichzelf zit te brabbelen.
Na tig pogingen is er eindelijk oogcontact met het knulletje. De peuter trekt. Een knopje schiet omhoog.
De man rukt de deur open en binnen een paar tellen scheuren ze het terrein af.
Als wij instappen kijkt Hans me aan. ‘Die man is een beetje dom. En jouw opmerking was ook een beetje dom.’
—

Dit kan een ieder overkomen toch??
Eind goed ,al goed!