Categorieën
Uncategorized

GEKNAKT

‘Staat u in de rij voor de geldautomaat?’, vraagt een oudere meneer met een geruite hoed aan mij.

Ik knik naar hem, trek mijn neusvleugels op en richt mijn blik op de man die al een paar minuten geld uit de automaat probeert te krijgen. Hij heeft vettige haarslierten en draagt een half afgezakte grijze joggingbroek met in het midden een bruine vlek. Vanwege zijn geur houd ik een meter of drie afstand. De man met het geruite hoedje zegt zacht: ‘Aha’.

Het waait en het regent zachtjes. De man in de joggingbroek haalt zijn schouders op, mompelt wat en steekt zijn pas in zijn broekzak. Hij loopt langs me. Gekromde schouders, doffe ogen en een wezenloze blik. Hans zou zeggen: ‘De man heeft een geknakte ziel.’ Op het beeldscherm van de pinautomaat verwacht ik een storingsmelding. Toch spuugt het apparaat na mijn pinhandelingen vijf knisperende briefjes van twintig euro uit. In een flits realiseer ik me dat de man in de grijze joggingbroek onvoldoende saldo heeft.

Terug naar huis wandel ik door het park. Het regent niet meer.
Ik loop het bospad af en ik sla de hoek om richting het grasveld. Een bruin-witte hond draaft voorbij met een stok in zijn bek. Dan zie ik de man in de grijze joggingbroek turen in een vuilnisbak. Zijn arm verdwijnt in de bak en hij blikt schichtig om zich heen. Hij heeft mij in het vizier en trekt geschrokken zijn arm uit de vuilnisbak. Vlug maakt hij zich uit de voeten.
Ik kijk om me heen, maar hij is in geen velden of wegen meer te bekennen. De bruin-witte hond spurt weer langs me. Ik kan niet bevatten wat ik net heb gezien. Dat iemand in dit dorp tussen het afval grabbelt.  Als ik dit in Utrecht zie, kijk ik er niet van op. En tijdens mijn vliegbaan heb ik heel wat triestheid gezien. Verloederde zwervers in San Francisco en Toronto, bedelaars in India en natuurlijk ook in Afrika. Maar hier in Driebergen?

Een week later gooi ik mijn boodschappenkar vol bij de Lidl. Plotseling sta ik oog in oog met de man in de grijze joggingbroek. De broek is in de tussentijd niet gewassen. Hij duwt een bijna lege kar vooruit. Ik spiek wat erin zit. Twee witte bolletjes en een pot aardbeienjam. Hij schuifelt richting de kassa. In mijn hoofd repeteer ik de zin: ‘Waar heeft u nog meer trek in? Dan koop ik het voor u.’

Maar ik durf het niet. En tegelijkertijd geneer ik me kapot voor mijn tjokvolle kar.

Categorieën
Uncategorized

JE HOEFT HET NIET ALLEEN TE DOEN

‘Fiets naar het zuidoosten op De Arnhemse Bovenweg en sla rechtsaf om op…’  
De vrouwenstem van Google Maps wijst mij de weg. Mijn mobiel zit geklemd in een rubberen houder aan het stuur van mijn elektrische fiets. Op het fietspad ligt her en der sneeuwdrab.
Mijn telefoon rinkelt. Op het scherm verschijnt de naam van mijn zwager. Ik rem af, want ik kan niet fietsen en bellen tegelijk. Vlug doe ik mijn wollen handschoen uit om op de groene toets te drukken. Het is te veel geëmmer om mijn mobiel uit de houder te wurmen, dus ik buig ver voorover om het telefoongesprek te voeren.

‘Hé Siem, hoe is het? Wat een lawaai, zit je in de auto?’
‘Nee, ik ben op de fiets.’
‘Ik moest aan je denken Siem. In alle dagbladen staan artikelen over long covid. Wat fijn dat de medici speuren naar verklaringen voor long covid en de symptomen waar jij zo’n last van hebt.’
‘Ja, eindelijk voel ik wat van erkenning en gloort er hoop. Op de gekste momenten heb ik een versnelde hartslag. Ik las in de krant dat dat komt doordat mijn autonome zenuwstelsel is ontregeld.’
Mijn zwager humt geduldig terwijl ik mijn verhaal doe.
‘En ze zijn er nu achter dat long-covidpatiënten rustig moeten sporten en dat ze hun conditie niet kunnen opbouwen. Ik snak naar een behandeling, want ik leef al bijna drie jaar als een bejaarde vrouw.’
‘Ach Siempie toch, heb je nog wel hulp of een vorm van therapie? Je hoeft het niet alleen te doen hè?’
Bij deze zin krijg ik een brok in mijn keel en val ik even stil.

Tring, tring. Een man op een racefiets scheert langs.
Ik sta nog steeds krom voorovergebogen met mijn snufferd op het stuur om te praten in het microfoontje. Het voorwiel van mijn fiets staat op de stoep en het achterwiel op de straat. Al pratend zet ik  mijn fiets op de stoep. Ik wiebel en met moeite houd ik mijn fiets overeind.
‘Siem, je hoeft het niet alleen te doen’, herhaalt mijn zwager.
‘Dat is waar’, zeg ik met een hoog stemmetje en ik vecht tegen de tranen. ‘Ik app straks Sytske, mijn contactpersoon van C-support. Zij ondersteunen mensen met long covid. Sytske beurt me altijd weer op. Wacht even, er rijdt een auto mijn kant op. Diegene wil vast de weg vragen.
‘En hier belt net iemand aan’, zegt hij. Ik bel je later terug oké?’

Ik veeg een traan van mijn wang en kijk opzij.
Een rode Fiat 500 draait het fietspad op. Een raam is omlaag en  een vrouw met kort blond haar steekt haar hoofd naar buiten. Ze kijkt me geschrokken aan. ‘Gaat het wel met u?’
Ik lach door mijn tranen heen. ‘Ik sta zo voorovergebogen om te bellen. Wat aardig van u, dank u wel.’
De blonde dame zucht van opluchting en ze draait haar Fiat de andere kant van de weg op.
We zwaaien nog even naar elkaar terwijl de woorden van mijn zwager nagonzen in mijn hoofd.
Je hoeft het niet alleen te doen hè?

Categorieën
Uncategorized

DESIGNBALLEN

Categorieën
Uncategorized

PARFUMWOLK

Categorieën
Uncategorized

PHISHING

‘Wat is de vervaldatum van uw creditcard?’
Hans is in de eetkamer aan de telefoon. Zijn mobiel staat op speaker.
Ik sta in de keuken en schuif in de koelkast een pak karnemelk opzij om een biertje te pakken. Het is vrijdagmiddag, bijna half zes. Voor Hans zet ik een flesje herfstbok op het aanrecht en voor mij een witbiertje.
Ik spoed me naar binnen. Waar gaat dit gesprek over? Hans staat voorovergebogen over de eettafel. Op de krant ligt zijn portemonnee opengeslagen. Er klinkt zachte pianomuziek van Debussy uit de boxen. Die zet ik gauw af.

‘Meneer Becker, we hebben twee aankopen onderschept. Er is zojuist een betaling gedaan van € 899,- voor een Huawei-telefoon. Dit bedrag past niet in uw uitgavepatroon.’
‘Sorry, waar gaat dit allemaal over?’, meng ik me in het telefoongesprek. Ondertussen kijk ik Hans vragend aan.
‘U spreekt met Simone Becker en ik bemoei me er even mee.’
‘Dag mevrouw, u spreekt met Mark van der Wal van ICS. Iemand heeft met de creditcard van uw echtgenoot gewinkeld. Het gaat om een bedrag van € 800,- en om een bedrag van € 600,-. Ik kan u geruststellen.’ Deze man klinkt inderdaad rustig gaat het door me heen. Zelf ben ik verre van kalm, mijn hart bonkt in mijn keel.
‘Deze twee aankopen hebben wij kunnen onderscheppen, maar er is net een bedrag afgeschreven van € 899,-‘
Hans heeft zijn creditcard in zijn hand en bijt op zijn onderlip.
‘Zijn we hiervoor verzekerd?’
‘Mevrouw, het komt goed. Deze creditcard blokkeer ik onmiddellijk. Uw man ontvangt spoedig een nieuwe creditcard.
Ter verificatie mailen wij nu aan uw man een code en die moet hij aan mij doorgeven. Ook sturen wij een sms aan uw man met een code ter verificatie.’
Met een rood hoofd been ik naar de computer. Hans loopt achter mij aan. Er komt een mailtje binnen en Hans ontvangt een sms van ICS met de verificatiecode.
De zenuwen gieren door mijn lijf. Die Mark van ICS praat rustig verder, maar ik hou het niet meer. Op het scherm van Hans zijn mobiel zie ik dat hij belt met een 06-nummer.
 Ik pak Hans bij zijn arm en gris zijn mobiel uit zijn hand. Hans kijkt me met grote ogen aan.
‘Hé, dit vind ik vreemd Mark, dat we bellen met een 06-nummer.’
‘Klopt hoor, dit nummer hanteren wij voor onze klanten die bellen vanuit het buitenland. En dit nummer gebruik ik voor spoedgevallen, zoals nu. Meneer Becker’, vervolgt Mark ‘wat is uw CVC-code?’
Ik schud naar Hans met mijn hoofd van nee, niet doen.
‘Mark, wie zegt mij dat dit geen phishing is? Vanmorgen in het Algemeen Dagblad las ik er net een artikel over.’
‘Mevrouw, dan stuur ik uw man toch geen mail en sms ter verificatie?’ Zijn stemgeluid stelt mij gerust.
Hans meldt zijn code.
‘Meneer Becker wij sturen u een nieuwe creditcard toe. Uw huidige kaart moet u door vieren knippen en extra goed door de afbeelding van de chip. Dan wens ik u beiden een fijne avond.’

Nadat de verbinding verbroken is, kijk ik Hans aan.
‘Hans het voelt niet goed. We zoeken het telefoonnummer op van ICS en we ondernemen actie.’

‘Mevrouw en meneer Becker, u spreekt met Maxime van ICS. Helaas bent u inderdaad het slachtoffer van phishing. Onze fraudedesk zit er gelukkig vierentwintig uur per dag bovenop en uw creditcard is door ons al geblokkeerd. U krijgt een nieuwe kaart van ons toegestuurd. De kosten zijn € 7,50. Verder zijn er geen kosten voor u.’
Ondanks dat de storm is gaan liggen gieren de zenuwen nog steeds door mijn lijf.
Hans omklemt de tafel. ‘Dank je wel Maxime. Eerlijk gezegd zijn we beiden nog helemaal van het padje af.’
‘Mevrouw, meneer, neemt u beiden een glas water en dan wens ik u een rustige avond toe.’

‘Een glas wáter?’, herhaal ik even later en loop naar de keuken.
Hans zucht. ‘Siem, ik had niet gedacht dat wij daarin zouden stinken.’
Ik reik Hans zijn herfstbok aan. De glazen laat ik achterwege. We ploffen neer op de bank en zetten het flesje bier aan onze lippen.

Categorieën
Uncategorized

DOET U DIE ER MAAR BIJ

‘De tas kost zeventienvijfennegentig.’
Ik wrijf in mijn handen. ‘Oh, doet u die er maar bij.’
‘Zóóó Siem’, zegt Liselore vanuit het pashokje, ‘jij verwent jezelf.’
De verkoopster zet de camelkleurige schoudertas op de toonbank. ‘Bééldig hè, ze zijn net binnen, regelrecht uit Italië.’

Een kwartier voordat ik mijn oog op de tas laat vallen, opent mijn vriendin Liselore de deur van de boetiek in hét modedorp van het Gooi. Hier slaag je vast voor een spijkerbroek Siem.’
Om de hoek van de deur ligt een kale, witte terriër met een lichtrode vlek op zijn neus. Zijn mand staat op de marmeren vloer.
Aan weerszijden van de winkel hangt de kleding op kleur en strak in het gelid. Er klinkt  bluesmuziek uit de speakers.

‘Goedemorgen ladies, kijken jullie even rond, of…?’
De witte hond gromt en blaft. ‘Bully, stil maar’, zegt de verkoopster.
Bully draait zich langzaam om en gaat met een mengeling van een zucht en een grom liggen. De verkoopster heeft een bos roodbruine krullen en een hees stemgeluid. Ze draagt een rozerode jurk en knalroze glimmende laarzen met een stilettohak. Ze lijkt op actrice Katja Schuurman, maar dan vijftien jaar ouder.

‘Eh, ik ben op zoek naar een spijkerbroek.’
‘Loop maar mee, de denimhoek is achterin links.’
Haar hakken klikklakken op het marmer.
In het voorbijgaan valt mijn blik op een serie handtassen. ‘Liseloor, kijk die camelkleurige schoudertas.’
Liselore knipoogt. Zo’n tas is een match bij een diepdonkerblauwe jeans.’

Mevrouw Katja tuit haar lippen en inspecteert mijn lijf. Ik gok dat je maat dertig hebt.’
Ik knik bevestigend.
Ze overhandigt me drie spijkerbroeken.
In het pashokje bestudeer ik de labels van de broeken. Zonder leesbril kan ik de prijs niet ontcijferen.
In de broek met wijd uitlopende pijpen loop ik het hokje uit.
Katja klapt in haar handen. ‘Bééldig, deze jeans zit je als gegoten.’
Liselore slaat een sjaal om in donkerbruine en lichtblauwe tinten.
Katja drapeert de sjaal als een heuse styliste om Liselore haar schouder. Bééldig’, klinkt het weer.
Ik haal mijn leesbril tevoorschijn en slik als tot me doordringt hoeveel de spijkerbroek wel niet kost. In het pashokje overleg ik met mezelf. Ik kan iedere euro maar één keer uitgeven.
Liselore schuift het gordijntje opzij en steekt haar hoofd om de hoek. Siem, je moet diep in de buidel tasten, maar je hebt van zo’n broek jaren plezier.’

De donkerblauwe jeans met uitlopende pijpen leg ik op de toonbank.
‘Doet u die er maar bij’, en ik wijs naar de tas aan de rechterkant.
Ik houd mijn creditcard boven het betaalapparaat. Mijn leesbril staat nog op mijn neus. Mijn ogen verwijden zich bij het zien van  het totaalbedrag dat oplicht.
‘Oh nee, dit is niet de bedoeling. Ik dacht dat u zei dat de tas zeventien euro en vijfennegentig cent kost.’ Ik voel het bloed naar mijn hoofd stijgen.
Katja rolt met haar ogen en zucht diep. Tja, als u het niet kunt betálen.’
Nee mevrouw, antwoord ik. ‘Ik wíl dit niet betalen voor een tas. U zei zeventienvijfennegentig, niet zeventienHONDERD vijfennegentig.
‘Wat denkt u nou zelf? Deze tas is met de hand gemaakt.’ Met een zucht zet ze de tas terug en past ze het bedrag aan.

Liselore en ik lopen naar de deur. Voordat ik de deur open, steek ik mijn tong uit naar de grommende terriër.
‘Dáág Bully.’

Categorieën
Uncategorized

SPIEGEL

‘Siem, zullen we de boel hier even spiegelen?’
Ik schiet in de lach en kijk naar de pakken pannenkoeken.
Marcel en ik staan in de Jumbo supermarkt aan het Diamantplein in Leiden. Even herken ik de Marcel van vroeger. Voor de grap trekken we tegelijkertijd een paar pakken naar voren. Marcel leunt op zijn wandelstok.
In mijn hoofd ga ik terug naar 1983. We werkten toen beiden in deze supermarkt, de C1000-Juffermans.

Marcel werkte er als AGF-chef en assistent-bedrijfsleider. Ik draaide de kassa en in de avonden was het vakkenvullen geblazen. Mijn scholierenbaantje vanaf mijn vijftiende. Op de achtergrond klonk er altijd muziek. Tot vervelens toe stopte de heer Juffermans hetzelfde bandje in de cassettedeck met zijn favoriete nummer: ‘and lead you through the streets of London.’          

Als de werkdag begon en ik Marcel tegen het lijf liep in het magazijn maakte mijn hart een sprong.
‘Hoi pipeloi’, zei hij met een knipoog. Marcellino zoals hij officieel heet, met een tattoo op zijn bovenarm, zijn groene ogen en een lach van oor tot oor, sorteerde al zingend de pallets. Zijn favoriete nummer was ‘Oh Mandy’ van Barry Manilow. Ik lag in een deuk, want een van onze katten thuis, heette ook Mandy.
En dan vertelde hij over de mooie meiden waarvan zijn hart sneller ging kloppen:  actrice Nastassja Kinski en zangeres Sjeel van de Dolly Dots.
Op een zaterdagavond gingen we samen naar Club 71 om te dansen én te zoenen en toen was het aan tussen ons.
Iedere werkdag was een feestdag. We aten elkaar zowat op. Zijn levenslust hielp mij door mijn onzekere puberjaren.
Op zondagmiddag luisterden we op zijn bed naar het radioprogramma Het weeshuis van de hits.
Beneden in de keuken braadde Marcels vader karbonades. Ik ruik ze nóg.

Inmiddels zijn we veertig jaar verder. Zes weken geleden krijg ik op een van mijn gepubliceerde blogs een reactie van Marcel. Juist, mijn verkering Marcel. Ik val zowat van mijn stoel. We raken aan het mailen. Hoe praat je de afgelopen jaren bij? Na onze verkering hebben we elkaar nooit meer gesproken. In mijn mail vertel ik over mijn man Hans en over mijn long covid en welke fysieke en mentale klachten dit met zich meebrengt.

Marcel mailt mij terug.
Ach meissie, wat vind ik dat erg voor je. Ik kan me inleven in de gevolgen van de long covid zoals snel overprikkeld zijn, niet op woorden kunnen komen, moeite met concentratie en rust nodig hebben. Jaren geleden heb ik een herseninfarct en een aantal TIA’S gehad en ik moet leren leven met de gevolgen van niet-aangeboren hersenletsel (NAH). Ik weet niet hoe lang ik nog heb.
Als er weer een TIA overheen komt, kan het – bam – zo afgelopen zijn. En Siem, net als jij schrijf ik ook korte verhalen en ik schrijf gedichten. Dat doe ik onder de naam Le cram.

Mijn tranen stromen. Mijn long covid-gevolgen zijn geen vergelijk  met zijn klachten en zijn huidige leven. Marcel was zo’n vrolijke spring in ’t veld en nu dit.

We spreken af dat we elkaar binnenkort bellen. Maar voordat het zover is spreekt Marcel mijn voicemail in, zodat ik kan wennen aan zijn manier van praten. Hij heeft afasie. Zijn bericht beluister ik negen maal achter elkaar.
En dan nu voor het eggie.

‘Hé Siem, ik heb je lang niet gezien, maar weet je, ik ben je nooit vergeten.’
Ik slik en kijk uit het raam. ‘Marcel, weet je nog dat je ging waterskiën in Lloret de Mar?’
‘Tuurlijk Siem, ik heb al onze vakantiefoto’s nog.’
Ik lach. Hij klinkt wat somber en zijn stemgeluid hapert. Maar ik herken het Leidse accent en denk terug aan de knappe jongen met de blonde snor.

‘Simone, ik vraag me af in verband met jouw long covid, doe jij wel rustig aan?’
Wat kent hij me goed, schiet het door me heen.
‘Jouw levensmotto: het gaat me lukken, kan nu jouw valkuil zijn. Heb jij weleens gehoord van de stoplichtmethode? Sta ’s ochtends stil bij hoe je je voelt. Zit je in het rood dan skip je wat je van plan was en dan ga je rusten. Zit je in het geel, dan ben je in de alarmfase. Dan moet je heel rustig aan doen. En zit je in het groen, dan kan je het aan om te doen wat je hebt gepland.’

Ik ben er stil van. Het kwartje is gevallen. Hoeveel therapeuten probeerden mij dat afgelopen twee jaar duidelijk te maken? Uit de mond van Marcel neem ik het aan.
Hij is op dreef. ‘En Siem, ken je het programma Niet Rennen Maar Plannen?’
‘Ah, dat is een sterke slogan Marcel.’
‘Als ik jou was, zou ik het ter harte nemen, anders blijf jij in het rood zitten.’

‘Je hebt gelijk’ zeg ik met een trillende stem.
Deze lieve man die zelf zo ziek is houdt mij een spiegel voor. We spreken af om binnenkort samen naar onze supermarkt aan het Diamantplein in Leiden te gaan.

De volgende dag ligt er een gedicht van Marcel in mijn mailbox. Ik plak het op de spiegel.
Zijn boodschap beklijft.

Categorieën
Uncategorized

SCHONE SCHIJN

‘Mevrouw Simeune, zo dadelijk open ik de peurt en dan kunt u de deusjes op mijn oprijlaan plaatsen.’

Mijn mobiel staat op de speaker. Ik trek gekke bekken om niet in lachen uit te barsten. Hans geeft me een knipoog. De heer Van Zwieten doet me denken aan baron Taets van Avezaethe, een typetje van Paul van Vliet.

Een kwartier geleden zette een pakketbezorger vier dozen wijn voor onze deur. Op het adreslabel staat: De heer drs. J.P. van Zwieten. Hij woont twee straten verderop. In de buurt-app vind ik het telefoonnummer van de heer Van Zwieten. Ik app hem dat er bij ons vier dozen wijn voor hem zijn bezorgd. Hij belt onmiddellijk.

‘Met Van Zwieten hier. Is mijn bieudynamische wijn bij u afgeleverd? Wat uitermate vervelend. Ja ziet u mevrouw Simeune, deze wijn komt regelrecht uit de wijngaard van Gevrey-Chambertin.
Hans en ik kijken elkaar aan. Dat Chambertin klinkt alsof hij met een wasknijper op zijn neus praat.
‘Ik stel het op prijs als u de deusjes op mijn oprijlaan plaatst.’

Hans neemt een slok koffie. ‘Ik vraag me af in welk huis hij woont. Een huis met een oprijlaan, ik ben benieuwd.’
‘Ik heb me weer voor het karretje laten spannen’, verzucht ik. ‘Ach, misschien geeft hij mij voor de moeite zo’n fles cadeau.’
‘Bij zo’n kakker zou ik daar niet op rekenen, Siem. Kakkers zijn vaak rijk dankzij hun krenterigheid.’

De peurt, herhaal ik in gedachten. Vanuit mijn auto check ik nog een keer het huisnummer. Het is toch echt hier. Alleen zie ik geen poort, maar een afgebladderd tuinhek. Op de oprit staat een zwarte Fiat Panda bedekt met vogelpoep. Vanaf de voordeur bekijkt een man in een glas-in-loodbroek en gele lamswollen trui mijn gesjouw.

‘Ah beste Simeune, zet de deusjes maar bij de veurdeur.’
Hij wijst op een plek voor zijn voeten en werpt een blik op zijn horloge. ‘Dadelijk eupen ik een fles, dan heeft hij tijd om te chambreren vooraleer het half vijf is.’

In mijn hoofd hoor ik weer baron Taets van Avezaethe. Hoofdschuddend loop ik vier keer heen en weer.
Als ik weer bij mijn auto ben steekt de heer Van Zwieten ten groet zijn arm omhoog. In zijn gele trui zie ik een gat zitten.

Het regent al de hele middag en het is koud in huis.
‘Siem, ik heb trek in friet vanavond.’ Hans kijkt me aan alsof hij iets oneerbaars voorstelt.
Het regent nog zachtjes. Friet van Piet is gelukkig hier om de hoek. Voor de snackbar staat een man met een regenhoed op te bellen. Ik herken het stemgeluid. De heer Van Zwieten. Hij keert snel zijn rug naar mij toe.
Wat apart, bedenk ik me. Deze man ben ik in het dorp niet eerder tegengekomen. En nu twee keer op een dag.

Ik loop de snackbar naar binnen, even later volgt de heer Van Zwieten.
Hij zet zijn hoed af en kijkt mij aan. ‘Wat een toeval Simeune, ik kom hier anders nooit heur.’

Piet gooit patatfriet in de sissende olie en draait zich om.
‘Meneer Van Zwieten, zelfde recept? Twee kroketten en een patatje speciaal?

Categorieën
Uncategorized

LULLO’S

‘Het is me te vroeg voor een hoer.’

De man met de bakkebaarden hinnikt van de lach om de opmerking van de krullenbol naast hem.

Het is rustig op het terras. Op die twee veertigers na die aan het tafeltje naast me zitten. Het zonlicht schijnt op onze beide terrastafels. Ik nip van mijn espresso en ik neem een slok water. Met mijn wijsvinger wrijf ik over de zachte kaft van mijn notitieboek.

De mannen dragen beiden een blauw glimmend pak. Ze verrekken hun nek, omdat ze nog steeds loeren naar de jongedame die in een afgeknipte spijkerbroek en cowboylaarzen voorbijloopt.

De krullenbol haalt een hand door zijn haar en zegt zonder blikken of blozen: ‘Weet je waar ik zin in heb als ik zo’n chick voorbij zie wandelen? Dan wil ik haar tegen de muur zetten en haar nemen. En daarna gewoon weer verder lopen.’

Mijn oren klapperen. Ik sla een bladzijde om van mijn opschrijfboekje en schrijf driftig op wat ik zojuist hoor. Mijn balpen kan alle vreselijke woorden van deze gasten ternauwernood bijhouden en ik krijg kramp in mijn vingers van het fanatieke schrijven.
De man met de bakkebaarden stoot zijn maat aan. Hij kijkt naar mij.
‘Wat ben jij aan het doen?’
Zijn ogen richt hij op mijn notitieboek.
‘Aan het werk,’ bluf ik.

Uit mijn ooghoeken zie ik dat beide heren opkijken. Er passeert een vrouw met een kinderwagen. Ze heeft golvend blond haar tot over haar schouders. Ze doet me denken aan Sophie Hilbrand. De heren nemen haar van top tot teen op. De vrouw heeft kringen onder haar ogen en ze loopt wat voorovergebogen. Als ze voorbij is zegt de krullenbol: ‘Typisch gevalletje van jammer, jammer, jammer.’

Ik trek mijn wenkbrauwen omhoog en ik ga in gesprek met mezelf. Ga ik hier iets van zeggen?
‘Weet je welk standje ik lekker vind?’, zegt de man met de bakkebaarden. ‘Als een vrouw…’ De rest van de zin sterft weg door een voorbij tuffende scooter.
‘Zou een vrouw het ook lekker vinden?’, informeert de krullenbol.
‘Interesseert me geen reet’, lacht de man met de bakkebaarden.
Ik sta op om binnen af te rekenen, maar blijf bij hun tafeltje staan.
‘Beseffen jullie hoe vrouwonvriendelijk jullie zijn?’ Mijn stem slaat over. ‘Ik ben absoluut niet gediend van jullie praatjes.’
De krullenbol kijkt de andere kant uit en de man met de bakkenbaarden kijkt me meesmuilend aan. ‘Wat vervelend voor jou dat jij zo’n moeite met ons hebt.’

Als ik mijn fiets van het slot haal voel ik twee paar ogen in mijn rug priemen. En ik hoor nog net een van de twee zeggen: ‘Vroeger was ze vast een lekker wijf.’
Ik draai me weer om ten teken dat ik hun conversatie hoor. Op dat moment komt de jongedame in de afgeknipte spijkerbroek weer langs. Ze heeft een halfje wit in haar hand.
‘Hé psst’, wenkt de krullenbol haar. ‘Weet je dat ik een hele grote heb.’
De jongedame draait een kwartslag en zet een stap het terras op. ‘Oh ja, heb jij echt zo’n grote?’
‘Heel groot’, glundert de krullenbol.
‘Als die echt zo groot is, steek ‘m dan lekker in je eigen mond.’

Categorieën
Uncategorized

EENS EEN STEWARDESS ALTIJD EEN STEWARDESS