Categorieën
Uncategorized

YOUP

‘Heb je ermee geneukt? Gadverredamme!’ Youp trekt een vies gezicht en hij staat op. Zijn neus raakt bijna de mijne.

We zijn in Singapore, 1997. Het is tropisch warm en vochtig. Een paar dagen daarvoor vraagt mijn collega in het vliegtuig: ‘Siem, wie vind jij nou een leuke man?’
Ik vul een kan met koffie. ‘Youp’, antwoord ik.
Femke pakt een theekan. ‘Joep?, welke Joep?’
‘Youp van het Hek.’

Femke en ik werken samen in dezelfde galley, een keukentje in het vliegtuig. De vraag: Wie vind jij nou een leuke man?, hoor ik iedere vlucht. Normaal gesproken vliegen de Tom Cruise’s en de Brad Pitts je bij deze vraag om de oren.
Haha, jij maakt een grapje. Youp van het Hek?’
‘Hij is recht voor zijn raap, legt de vinger op de zere plek en weet dingen bloot te leggen. Dat vind ik aantrekkelijk.’
Femke verschuift een elastiekje aan het einde van haar blonde vlecht.
‘Vind je hem ook knap?’
‘Hij zegt waar het op staat en dat vind ik belangrijk.’
De purser steekt haar hoofd om de hoek van het gordijn. ‘Wat staan jullie te kletsen? De passagiers wachten op koffie en thee.’
Vlak voordat we met de trolley met koffie, thee, cognac en likeur het gangpad inrijden, fluistert Fem: ‘je meent het echt hè?’

In Singapore gaan Femke en ik naar de Hollandse Club. Bij de receptie hangt een aanplakbiljet: Youp van ’t Hek. Fem gilt. ‘Wat een toeval Siem. Jij hebt het over Youp en hij treedt hier morgenavond op! Jammer, daar kunnen we niet bij zijn. Vanavond vliegen we naar huis.’

Even later liggen we onder de parasol bij het zwembad van de Hollandse Club. Femke stoot me net iets te hard aan. Ik kijk op.
Siem, daar komt ie.
Youp van ’t Hek: niet zo groot, beetje gezet, pretogen en een rond brilletje. Met zijn ploeg: een mannetje of twaalf en een paar meisjes.
Opnieuw krijg ik een por in mijn zij. ‘Siem ga eropaf.’
‘Nee Fem, niet met al die mannen om hem heen. Dat durf ik niet.’
Om af te koelen duik ik het water in. Om de vier slagen spiek ik naar Youp. Zijn haren wapperen alle kanten op. Ik hoor hem lachen. Al crawlend heb ik een briljant idee. Hij moet een keer naar de wc en dat doet hij alleen. Ik heb het nog niet bedacht of hij staat op. Ik hijs me uit het zwembad en al druppend ren ik achter Youp aan.

‘Youp, Youp, hallo, ik ben Simone.’ Hij draait zich om en bekijkt me van top tot teen. ‘Graag wil ik een keer met je babbelen’, vervolg ik.
‘Babbelen, hoezo? Waar wil jij het met mij over hebben dan?’
‘Eh’, mompel ik.
‘Ik ga even wateren en ik ben zo bij je terug.’

Femke glimlacht breeduit steekt haar duim omhoog.
Als Youp terugkomt, loopt ons gesprek vanzelf. Hij vertelt me dat hij met zijn hele team hier is, tot en met de studentes die hem rijden naar de theaters.
‘Alle medewerkers zitten met elkaar in hetzelfde hotel. Ik logeer in het Marco Polo.’
‘Wat toevallig, wij ook.’ Femke is inmiddels bij ons komen staan. Ze maant mij dat ze zo een taxi naar het Marco Polo wil pakken, omdat ze wil voorslapen. Vanavond moeten we weer aan de bak.
‘Kan ik met jullie mee met de taxi?’, vraagt Youp.
Voor ons hotel vraag ik aan Youp: ‘mag ik met je op de foto?’ Hij pakt me bij de arm en zegt: ‘kom, dan gaan we bij de fontein staan.’
In de lobby kijk ik om me heen. Waar kunnen Youp en ik praten? Als we hier gaan zitten dan staan er in een mum van tijd tig collega’s om ons heen. Youp pakt me weer bij de arm en dirigeert me richting de lift. In zijn hotelkamer is het steenkoud door de airconditioning. Je ziet twee natte plekken in mijn shirtje van mijn bikini.

‘Wil je thee om op te warmen?’
Youp hurkt op de grond om een stopcontact te zoeken voor de waterkoker. Op het bureau zie ik een stapel boeken.
‘Mijn leesvoer voor de komende dagen. Simone, vertel me eens over de liefdes in je leven.’
Ik verschiet van kleur en vertel over de man die ik aanbad, maar die het talent niet had om een relatie aan te gaan. En ik vertel over een kortstondige affaire met een collega met wie ik het gezellig had, maar niet meer dan dat.
Youp trekt zijn rechterwenkbrauw omhoog en zegt: ‘ja, je moet meer hebben dan gezelligheid.’ Hij schenkt nog een kopje thee voor me in. ‘Ga verder Simone.’
‘Daarvoor woonde ik samen met een man die de handdoeken op militaire precisie in de kast had liggen.

En ik mocht niet op het dekbed zitten.’ Youp herhaalt: ‘gad-ver-re-dam-me.’


Ik kijk op zijn wekker. ‘Youp, net als Femke ga ik nu ook voorslapen om uitgerust aan de vlucht naar huis te beginnen.’
Hij kust mijn hand en laat me uit. Ik wandel over de lange gang naar de lift. Youp zwaait me uit en buldert over de gang: ‘en lees mijn columns, want je zult jezelf erin terugvinden.’

PS: Een week later sla ik de NRC open. In Youps nieuwe column ‘Niemand’ staat inderdaad onze ontmoeting. Inclusief het antwoord op zijn vraag waarom ik in hemelsnaam niet op het dekbed mocht zitten.
‘Dan pletten de veertjes Youp.’

Categorieën
Uncategorized

ACHTEROP

Foto: Juliska Fabri

‘Ha schoonheid in de rooie Ferrari.’ Wim grijnst van oor tot oor. Ik sta bij de wasstraat met mijn rode autootje. Mijn zuster noemt het een brommer met een dakje.

Ik overhandig aan Wim mijn autosleutel en werp een blik op mijn klokje. Over tien minuten begint de les bodyshape. Via een sluiproute loop ik in vijf minuten naar de sportclub. Terwijl ik straks hups op de muziek, sopt Wim mijn auto en controleert hij de bandenspanning.

‘Simone, kijk eens achterom’, zegt Wim. Op het pad zie ik hopen zand liggen van wel een meter hoog en er staan rood-witte dranghekken. Niks geen sluiproute vandaag.

‘Oh Wim, ik moet hélemaal omlopen. Als ik maar op tijd ben, want stipt om 9.00 uur begint de bodyshape.’

Ik zet de pas erin alsof ik de trein moet halen. Hollen lukt niet vanwege mijn long-Covid, dan blokkeert mijn lichaam.

‘Tingelingeling.’ Helga fietst opeens naast me en zingt: ‘mijn achterband is wel wat zacht, maar het geeft niet lieve pop, spring maar achterop, spring maar achterop, spríng maar achterop.’

Helga, mijn medesportster, is een 80-plusser die haar benen met gemak in haar nek legt.
‘Spring dan Simone!

Blijft die fiets met ons saampjes wel overeind, flitst het door mijn hoofd. Maar ik zie aan haar vastberaden koppie dat ze er alle vertrouwen in heeft.
‘Eén, twee’, en ik spring achterop. We zwieren kriskras over de weg, maar we komen op tijd.

Tijdens de les zitten we met onze rug tegen de muur aan. Al hijgend span ik mijn bovenbeenspieren aan en het voelt alsof iemand naalden erin prikt. In de spiegel zie ik dat mijn hoofd rood aanloopt. Ik spiek naar Helga. Die zit tegen de muur aan alsof ze thuis de Libelle leest.

Op de terugweg trapt Helga gestaag door en zingt weer: ‘mijn achterband is wel wat zacht, maar het geeft niet lieve pop.’
Ze fietst de hoek om bij de autowasstraat. We vliegen bijna uit de bocht en we slingeren van links naar rechts.
‘Whaaa’, gil ik. Wim spuit de velgen van een groene Mercedes schoon. Hij stopt abrupt als hij ons tweeën op de fiets ziet.

Dames, het lijkt wel of jullie uit de kroeg komen.’

Categorieën
Uncategorized

LVT

‘Heb jij hier nog plaats voor?’ Overbuurvrouw Nella staat, met een knol van een oranje dahlia in haar armen, op ons tuinpad. Nella draagt ferme stappers en een gebloemde broek.

Piet, onze tuinman, zet de kruiwagen neer en neemt de dahlia van haar over. ‘Ja natuurlijk, daar vind ik wel een plekkie voor.’

De volgende dag kom ik Nella tegen in de winkelstraat. ‘En hoe staat de dahlia?’, vraagt ze me.

‘Oh, die heb ik niet meer gezien. Piet zal de plant wel ergens hebben gepoot. Nogmaals dank, heel lief.’

Vier weken later. Het is kortebroekenweer. Piet sjouwt achterin de tuin, in zijn afgeknipte spijkerbroek, met zakken uitgerijpte compost. Sanka, onze zwarte kater, strekt zich uit in het zonnetje op de houten vlonder. We horen het sonore geluid van de elektrische maaier van onze achterburen.

‘Piet’, roep ik met luide stem. Hij kijkt op en ik wijs naar de koffie en een plak ontbijtkoek. Op dat moment loopt Nella het pad op. ‘Ik kom kijken of bij jullie de dahlia al boven de grond uitkomt.’ Samen lopen we door de tuin. Waar staat de dahlia? We wandelen naar de voortuin. Geen dahlia te bekennen. En dan beent Nella dwars over het gras naar Piet toe. Ik ga er achteraan.

Ze zet haar handen in haar zij. ‘Piet, wáár heb jij die dahlia gepoot?’ Hij trekt wit weg en houdt zijn mond. ‘Piet?’
‘Die staat bij mij in de achtertuin. Die heb ik toch van jou gekregen?’ Nella kijkt mij aan met zo’n blik van wat moet ik hiermee?

Ze schudt haar hoofd. ‘Ben jij soms de leukste thuis?’ Piet krabt aan zijn driedagenbaardje. ‘Neu, ik dacht LVT.’
‘LVT?’, herhalen wij in koor.

‘Ja’, zegt Piet, ‘leuk voor thuis.’

Categorieën
Uncategorized

OERSAAI

foto: Marloes Teseling

Met mijn handen op mijn bovenbenen schuifel ik voetje voor voetje naar de overkant.

Marloes legt een hand op mijn schouder. ‘Deze overtocht was heftig voor je hè?’

Ik knik en slik een brok in mijn keel weg.

Een half uur geleden: Marloes komt me ophalen om samen een boswandeling te maken. Ik sta op de stoep te wachten en er stopt een auto vlak voor me. Ik open het portier en er springt een Vizsla uit. Heeft Marloes een nieuwe hond? Ik sta al met één been in de auto, als ik zie dat het de buurvrouw van twee huizen verder is. Ik krijg een kop als een boei. Twee tellen later komt gelukkig Marloes eraan.

Om bij het bos te komen moeten we de snelweg over via een voetgangersbrug. De voorbijrazende auto’s, vrachtwagens en bestelbussen denderen onder ons. Ik krijg een licht gevoel in mijn benen en ik voel de grond niet meer onder mijn voeten. Zwabberbenen, ik heb het vaker als er te veel prikkels op me afkomen. Mijn hart bonst en ik begin sneller te ademen.

Nadat Marloes me gekalmeerd heeft lopen we verder.

Honderd meter verderop gil ik de longen uit mijn lijf. Vlak voor mij op het pad ligt een gladde bruine slang. Marloes legt de engerd meteen vast op haar camera.

’s Middags heb ik een telefonische afspraak met Marianne, mijn reïntegratiemanager. Marianne lijkt me het type vrouw dat inbrekers wegjaagt met een honkbalknuppel.

‘Marianne, ik heb nu al een jaar Long-Covid en boek weinig vooruitgang. Ik moet me gedeisd houden en dat vind ik oersaai.’

‘Siem, in plaats van oersaai kun je ook een fijn en rustig leven leiden.’

‘Je hebt gelijk’, zucht ik ‘en zó rustig is mijn leven nou ook weer niet. Vandaag joeg een gladjakker in het bos me de stuipen op het lijf.’

Zag je een potloodventer?’

De telefoon glijdt bijna uit mijn handen van het lachen.

Gelukkig kun jij nog lachen’, zegt Marianne nuchter.

‘Het was een slang. Veel enger toch dan een potloodventer?’

Nu lacht Marianne.

‘Misschien, maar oersaai is het in ieder geval niet.

PS: volgens een trouwe lezer is het geen slang, maar een hazelworm. De hazelworm is een bruine, pootloze hagedis, die lijkt op een slang.

Categorieën
Uncategorized

VERKEERDE BEEN

Foto: Marjolein Verweij

Op het bospad springt een man voor me. ‘Waar is het station?’

Hij heeft een bloederige wond onder een van zijn wenkbrauwen.

Van schrik laat ik mijn waterflesje vallen. Onder mijn arm klem ik mijn blauwe sportmat. De man heeft lang krullend haar dat overgaat in zijn baard. Hij is tegen de twee meter lang en hij draagt een wijde regenjas. Ik wil mijn waterflesje van de grond oppakken. Hij grijpt me bij de mouw van mijn jack en kijkt schichtig om zich heen. Hij laat niet los en vraagt opnieuw: ‘waar is het station?‘ Ik kijk hem aan en zie zijn zachtgroene ogen. Hoe ziet deze catweazle eruit zonder die wond en dat lange haar? Wat is er met deze man gebeurd? Hij houdt een hand tegen zijn jas aan alsof hij daaronder iets vasthoudt en met zijn andere hand draait hij rondjes ten teken dat hij haast heeft. Ik antwoord: ‘alsmaar rechtdoor en aan het einde van het bospad linksaf. ‘Kan ik iets voor u doen?’

Catweazle schudt zijn hoofd. ‘Ik heb iets gezien.’ Hij slaat beide ogen neer, heft zijn hand omhoog en rent het bos in. Even zie ik nog de wapperende panden van zijn jas en een glimp van de geruite binnenkant. Zal ik achter hem aanrennen?

Ik blijf stokstijf staan en in de verte hoor ik mijn trainster tegen de volgende groep roepen: ‘ren om de goal heen.’ Ik ruik een zweetlucht. Is dat nog van hem of ben ik het zelf? Ik neem een slok water en wandel snel de hoek om. De auto’s razen voorbij alsof er niks is gebeurd. Ik hoor banden piepen. Een man op de fiets met over zijn ene hand een geblokte, bebloede theedoek.

Mevrouw, heeft u net een man met een lange baard in een regenjas gezien?’

Ik stap achteruit. Deze zestigplusser heeft samengeperste lippen en kijkt me met priemende ogen aan. Hij heeft aan de zijkanten zilvergrijs haar. Op zijn voorhoofd bungelt eenzaam een zilvergrijs krulletje.

Ik krijg het koud en ik heb geen zin deze man te antwoorden. Heeft catweazle iets bij die gladjakker gezien wat het daglicht niet kan verdragen?

‘Mevrouw, geeft u nog antwoord. Ik moet die man te pakken krijgen.’

Hij houdt zijn wijsvinger op mij gericht. Zijn vinger beweegt bij elk woord dat hij uitspreekt. ‘U moet hem gezien hebben, dat kan niet anders.’

Ik druk mijn sportmat tegen mijn lichaam en haal diep adem.

‘Dat klopt, ik zag inderdaad een man met lang haar en een baard in een regenjas.’

‘Welke kant ging hij op? Ik móet hem vinden.’ Ik aarzel. ‘Hij ging die kant op en ik wijs naar rechts.’

‘Weet u het zeker?’ Hij kijkt me doordringend aan.

‘Ja.’

Hij spurt weg.

Thuis praat ik tegen mezelf in de badkamerspiegel. Voelde het goed om deze zilvergrijze krul op het verkeerde been te zetten? Ik knik.

Categorieën
Uncategorized

NIEUW LEVEN

Google streetview (bewerkt)

Twee dames, met porseleinwitte gezichten en gehuld in dikke winterjassen staan op de stoep ter hoogte van het Griekse restaurant.

Ze turen op hun mobiele telefoon. De zon schijnt en door de wind waaien mijn haren alle kanten op. Ik ben op weg om een kaart op de bus te doen. Naast de dames staan drie tjokvolle boodschappentassen. Bovenop liggen zakken chips.

De felicitatiekaart houd ik tussen duim en wijsvinger goed vast. De dochter van mijn schoonzus heeft een baby gekregen. Een meisje. Ik voel me blij. Zoals ieder kind gaat ook zij haar talenten ontdekken en ontwikkelen. Nieuw leven doet goed.

Op de terugweg passeer ik de dames opnieuw. Ik draai me om en vraag: ‘hi can I help you?’

We need a taxi?’, vraagt de grote blonde in het groene winterjack. De andere dame draagt een zwart doorgestikt jack. Ze heeft een piercing in het kuiltje van haar hals, het lijkt op een briljant.

Ik vraag: ‘where are you from?’ Terwijl ik het vraag komt het antwoord al in mij op. Ze zeggen in koor: ‘from Ukraine.’ De blonde wijst naar haar telefoon. Ze typt wat in en laat het mij lezen: wij verzorgen kinderen oncologie. Ik krijg een brok in mijn keel. Ik haal diep adem en laat mijn emotie niet zien. Ze hebben het vast al moeilijk genoeg.

‘Waar moeten jullie naar toe?’, vraag ik in het Engels. Ze laat het adres in Doorn zien.

‘Geen probleem, ik breng jullie. Ik woon hier om de hoek.’ Ik neem een boodschappentas van ze over en met z’n drieën lopen we naar mijn huis.

‘Nice houses.’

Opeens realiseer ik me dat ik twee wildvreemden mee naar huis neem en straks een lift geef. Zoiets doe ik nooit. Even later zitten de dames op de achterbank.

‘The big wood’, zegt de dame met de piercing.

‘Ah, het Grote Bos.’

Ze knikken instemmend en ze vertellen dat ze met vijf groepen volwassenen en zieke kinderen uit Oekraïne hier zijn. Voor de slagboom van vakantiepark het Grote Bos nemen we afscheid.

Die avond zet ik het journaal aan. Kinderen met kortgeschoren haren komen aan in het Prinses Máxima Centrum in Utrecht. Ik herken de twee vrouwen in hun groene en zwarte winterjas. Nieuw leven, denk ik en ik doe een schietgebedje.

Categorieën
Uncategorized

A-MERK

Ze pakt de hand van haar vriendin vast. ‘Nou Emma, vertel: het werk, het leven en de liefde.’ Bij het laatste woord gaat haar stem omhoog.

‘Oh, Judith, ik kan geen vent meer zien’, verzucht Emma.

Ik zit aan de meterslange leestafel in De Huiskamer aan de Traaij. In het midden staat een alocasia. Hij tikt zowat het plafond aan. Emma en Judith zitten aan de andere kant van de plant. Alle andere tafeltjes zijn bezet. Aan een van de tafeltjes aan het raam zitten drie corpulente dames. Zo te zien twee zussen van zestigplus met hun moeder van in de negentig. Ze snoepen van elkaars taartjes. Halverwege is de kinderhoek. Daar zie ik kinderen over de vloer kruipen en vaders met een laptop voor zich.

De vriendinnen naast me zijn het meest interessant. Ik gluur om de grote groene plantenpot heen. Mijn pen houd ik losjes vast en ik doe alsof ik op woorden probeer te komen. Mijn schrijfblok ligt voor mijn neus. Die Emma lijkt op actrice Georgina Verbaan. Ze heeft ogen die flirten met alles en iedereen, zoals nu met de jonge ober. Haar vriendin Judith heeft rossige krullen die ze in bedwang houdt met een grasgroene haarklem.

‘Ik ontmoet er zoveel, ik kan ze niet meer uit elkaar houden.’

‘Em, komen al die mannen via zo’n datingbureau?’

Het is een datingapp Juut. De één schrijft over wijn drinken bij de open haard en een ander wil een vrouw die net als hij houdt van zeilen en golfen. Laatst had ik afgesproken met ene Frederik en die werkt op de HR-afdeling bij de BAM. In diezelfde tijd kreeg ik ook een appje van een projectmanager met een hele goede kop die óók bij de BAM werkt. Ik dacht: oh jee als ze er maar niet van elkaar achterkomen.’

‘Vertel me over Frederik. Ik zit iedere avond met Remco op de bank. En hij werkt al twee jaar thuis. Iedere ochtend om kwart over elf pakt hij een blikje chocomel uit de koelkast.’

‘Sorry hoor Juut, maar aan zo’n man wil ik niet eens denken. Ik wil leven in de brouwerij.’

Ik ben in gedachten bij mijn eigen ervaringen van meer dan twintig jaar geleden. Toen datete ik via onehello (bestaat niet meer) en had ik tegelijkertijd contact met twee mannen die werkten bij De Wereldomroep (bestaat ook niet meer). Met beide mannen is het nooit wat geworden.

Frederik kwam bij mij koffie drinken. Ik opende de koelkastdeur om melk te pakken. Staat hij ineens achter me. Met zijn hoofd op mijn schouder. Weet je wat hij zei?’

‘Gelukkig, jij bent net als ik van de A-merken.’

‘De A-merken?’ herhaalt Judith verbaasd.

‘Ja, Campina, Becel, Heinz en Spa. Die vent begon helemaal te stralen. Toen zei die ook nog: ‘en ik zie in de koelkastdeur een excellente Gran Cru staan.’

‘Wat een kakker Emma.’

‘Even later roert hij in zijn koffie en zegt-ie glunderend dat we voor elkaar gemaakt zijn. Hij zei: ik durf erom te verwedden dat je dezelfde koffiebonen uit blik koopt als ik.’

‘Wat zei je?’

Ik koop zakken van een kilo bij de Aldi.’

‘Niet waar, en wat zei hij toen?’

‘Hij verslikte zich en proestte zijn koffie over mijn vloerkleed. Meneer Frederik A-merk heb ik daarna nooit meer gezien.’

De vriendinnen lachen.

‘Emma, een vent die deugt en voor je klaar staat, dat is pas een A-merk.’

Categorieën
Uncategorized

STIP

Het touwtje van de heliumballon houd ik stevig vast. Ik voel weer tranen opkomen en vis met mijn andere hand een zakdoek uit mijn broekzak. Ik dacht dat mijn tranen na vanmorgen wel op waren.

Het is kwart voor elf in de ochtend. Mijn huisarts reikt me een tissue aan. ‘Ik wil een sti-i-i-i-i-p aan de horizon’, jammer ik. Tranen lopen over mijn wangen. ‘Het is nu al negen maanden geleden dat ik COVID kreeg. En ik heb nog steeds een trits aan fysieke en mentale klachten.’ Ik som er een paar op: ‘moe, duizelig, kortademig, benauwd, verhoogde hartslag, als ik een sprintje probeer te trekken omdat het regent blokkeert het hele lijf, last van zwabberbenen, snel overprikkeld, ik kan me niet concentreren.’

‘En ik kan nog wel even doorgaan’, blèr ik door mijn tranen heen: ‘iedere ochtend als ik wakker word, heb ik pijn in mijn buik, bij drukte word ik paniekerig, ik zit al maanden thuis, ik mis het vliegen en iedere middag moet ik siësta houden. In de auto schrik ik wanneer er iemand uit een zijstraat schiet, fietsers zie ik over het hoofd en inhalen durf ik niet.’

Over haar leesbril kijkt de huisarts me aan en geeft me nog een tissue. ‘Simone, er is verrekte weinig bekend over Long COVID. Vanmorgen zat hier een vrouw van begin dertig en jullie klachten komen aardig overeen. Alleen heeft zij het al één jaar en negen maanden.’ Ik ben er stil van en knik. Ik zal moeten dealen met haar antwoord.

‘Ik kan je wel pillen voorschrijven om de benauwdheid wat te verlichten.’ Ze rammelt wat op haar toetsenbord. En ik staar naar de rood-blauw gekleurde vissen in het aquarium. Er zwemt daar ook een oranje vis met een zwarte vlek, alsof die een bloeduitstorting op zijn lijfje heeft. De deur gaat open. Er staat een man met een witte ringbaard in de deuropening. ‘Ben ik nou nóg niet aan de beurt? Ik heb een afspraak om elf uur.’ Hij wijst naar zijn horloge. De huisarts veert overeind en bonjourt de witte ringbaard terug de wachtkamer in. Ik lach door mijn tranen heen. ‘Fijn dat je weer een beetje kunt lachen’ zegt ze en ze overhandigt me het recept voor de apotheek.

En nu sta ik in onze achtertuin met de heliumballon tussen mijn vingers geklemd. Het miezert. Drie weken geleden stond de pakketbezorger op de stoep met een vierkante, limoengroene doos. Daarin zat een ballon met de tekst just because you are awesome. Er zat een kaartje aan met alle namen van mijn vliegvrienden van het eerste uur. Dat zijn mijn cursusgenoten uit de KLM-basiscursus uit 1994. Nu is de lucht voor een groot gedeelte uit de ballon. Ik wil niet meemaken dat hij er echt zielig uit gaat zien, dus ik neem de ballon mee naar buiten om deze in de afvalbak te proppen.

Ai, het touwtje glipt door mijn vingers heen en de ballon stijgt omhoog. Ik kijk hem na, hij komt vast wel weer naar beneden of hij blijft steken in de eikenboom. Dat doet hij niet. De ballon gaat verder omhoog richting de buren achter ons. Ik hoop dat hij daar aan een tak blijft steken, want het is verboden om een heliumballon in de lucht op te laten. De ballon gaat hoger en hoger. Hij gaat door een wolk en ik zie alleen nog maar een stip. Ik blijf hem volgen tot ik hem echt niet meer zie. Daar gaat mijn ballon. Een kleine stip aan de horizon.

Categorieën
Uncategorized

VERGETEN

Sanka en Vlek, onze katten, kijken me vragend aan. Alsof ze willen zeggen: waarom ben jij op dit uur nog buiten? Ik haal diep adem. Nog een keer doorzoek ik mijn handtas. Het is pikkedonker en bijna middernacht.

Ik gebruik mijn mobiel als zaklamp en schijn in alle zes vakjes. En ik vraag me hardop af ‘waar zijn mijn huissleutels?’ Opnieuw keer ik mijn grote tas binnenstebuiten: flesje water, mini-plu, twee boekjes en een sjaal.

Met een zucht check ik weer de zakken van mijn regenjas. Op een zakdoek en een oud boodschappenbriefje na zijn ze leeg. In ons huis brandt het keukenlicht. Verder is het aardedonker. Hans ligt allang te tukken. De katten cirkelen om me heen.

Ik kijk naar boven. Zal ik Hans wakker maken? Ik ben bang dat hij boos wordt als ik hem wek. En ik hoor hem al zeggen: ‘mindfulness Siem, houd aandacht bij wat je doet.’

In de auto, natuurlijk daar liggen ze vast. Enthousiast schijn ik met het licht van mijn mobiel over de matten en met mijn andere hand tast ik onder de rem en het gaspedaal. Niks. Het dashboardkastje haal ik leeg. Ik kom van alles tegen: een nagelvijl, pennen, muntjes, een zonnebril uit de jaren negentig, routebeschrijvingen, tandenstokers, een potje vitamine C-pillen, tissues en een kleverige lipgloss. Geen sleutels. Er zit maar één ding op, Hans wakker maken.

Ik druk langdurig op de voordeurbel. Het blijft stil in huis. Ik roep luid en duidelijk: ‘Hans, Hans!’ Naast de keukendeur staan lege wijnflessen en Hak-potjes, klaar voor de glasbak. Ik mik met het dekseltje van een van de Hak-potjes tegen het slaapkamerraam. Het belandt in de goot. Hans geeft geen sjoege. Met twee wijnflessen ram ik op de gietijzeren gieter. Het maakt een hels kabaal. Sanka en Vlek maken dat ze wegkomen.

Bij de overbuurvrouw brandt nog licht. Ik sprint erheen en zij weet van wanten, want ze plaatst haar uitschuifladder tegen onze gevel. Het is hoog en ik vind het eng, maar het moet. Ik klauter langzaam naar boven. Op de achtste traptrede durf ik niet verder en geef ik een brul. ‘Hans, Hans wakker worden.’ Door het open raam horen wij hem ronken.

Er blaft een hond op straat. Ik snel ernaar toe. Buiten adem doe ik mijn verhaal aan de buurman die net zijn Deense dog aan het uitlaten is. De buurman klimt tot bovenaan de ladder en hij steekt zijn hoofd door het slaapkamerraam. ‘WAKKER WORDEN.’

Dat is eindelijk genoeg voor Hans om te ontwaken. Even later opent hij versuft de deur. ‘Was jij je sleutels vergeten Siem?’

‘Het spijt me schat.’

Gelukkig vind ik binnen mijn sleutels op hun vertrouwde plek.

Siem, alsjeblieft beloof me dat je niet meer overhaast de deur uitgaat.’

‘Dat beloof ik’, zeg ik en ik kijk hem schuldbewust aan.

‘Wil je nog iets drinken, voordat we naar bed gaan?’

‘Ik dacht dat je zou ontploffen van kwaadheid.’

Hans reikt me een half glas Rioja aan. ‘Waarom denk je dat?’

Opeens realiseer ik me dat mijn ex uit zijn vel zou springen in zo’n situatie. Het is al 25 jaar geleden en ik wist toen nog niet eens van de ADD. ‘Herinneringen van vroeger denk ik’ mompel ik in gedachten.

‘Siem,’ zegt Hans, ik vind het niet erg dat je altijd dingen vergeet, maar dat ik niet je ex ben moet je nu echt eens onthouden.’

Categorieën
Uncategorized

STRIK

kinderverhaal

Paula neemt een grote hap van haar beschuit met aardbeienjam. ‘Mm, ik lust er nog wel één mam.’

‘Jij mag even wachten.’ Rustig borstelt moeder het blonde haar van Lisette die keurig stil blijft zitten. Ze weet dat dat moet van mama.

Moeder pakt een lange blonde haarlok beet en zet deze vast met een donkerblauwe strik. ‘Zo, klaar en nu smeer ik weer beschuitjes.’ ‘Ik wil ook een strik’, zegt Paula. Lisette schatert het uit. ‘Haha, dat kan helemaal niet.’ ‘Waarom niet?’, vraagt Paula. Dat weet je best’, zegt moeder. ‘Een strik blijft niet zitten in jouw haar. Daar is het veel te kort voor.’ ‘En toch wil ik een strik.’ Ze slaat met haar vuist op tafel. Op dat moment komt papa de keuken binnen. ‘Je kunt een strik in je veters krijgen,’ bromt papa. Beduusd kijkt Paula op. Lisette begint nog harder te lachen. ‘In mijn veters?’ vraagt Paula. ‘Ja meis, het wordt hoog tijd dat jij zelf je veters leert strikken.’

‘Dat kan ik niet, dat kan ik niet, dat kan ik niet.’ ‘Aaaahh, ik doe het nog één keertje voor,’ zegt papa. ‘Hoe moet dat anders, wanneer je groot bent?’ Paula denkt even na. ‘Dan loop ik gewoon op schoenen met klittenband. Of op van die schoenen waar je zo in kunt stappen.’ ‘Maar je wilt toch graag die paarse sneakers met die witte ster aan? Waar je zo hard op kunt rennen?’ ‘Dat is waar.’ Papa doet geduldig voor hoe je een lus maakt met de ene veter en de andere veter eromheen doet. Nu probeert Paula haar veters zelf te strikken. Het lukt niet. ‘Ik kan het niet, ik kan het niet, ik kan het niet.’ Boos loopt Paula weg.

‘Paula,’ roept Lisette, ‘mag ik je voordoen hoe je je veters moet strikken? ‘Ik ben ook linkshandig, net als jij.’ Ineens ziet Paula hoe het moet. Ze oefent en oefent. En ja hoor, ze kan het. ‘Ik kan het, ik kan het, ik kan het!’ Ze zoent eerst Lisette, dan papa en mama. Apetrots rent ze op haar paarse sneakers naar school.