HOBBEL

‘Laat het los zus, Jaap moet zelf over die hobbel heen.’

Terwijl ik mijn boodschappen in de auto zet, hoor ik twee vrouwen praten. Ik draai me om en zie twee dames van eind zeventig, allebei met geblondeerd schouderlang haar en een gebruind gezicht. De een draagt een lichtblauwe poncho en de ander een donkerblauwe. Willeke Alberti in tweevoud.

‘Mar’, zegt de lichtblauwe, ‘zelf zou ik het meteen doen. Ik zou dat ding volhangen met plastic rode rozen.’
Mar opent haar achterbak en zet haar tassen in de auto.
‘Je kunt Jaap niet dwingen.’
‘Nee, maar iedere keer als ik erover begin, kapt die brombeer het  af. En dat terwijl hij met zo’n karretje op eigen houtje naar de slager kan. En naar de markt. Of zijn broer bezoeken. Nu moet ik altijd mee.’
‘Je kan hem niet dwingen zus, Jaap moet het zelf aanvragen.’
‘Wat denk jij, is zo’n scootmobiel duur?’
‘Welnee meid, daar is de WMO voor.’

Ik voel de frustratie. En ik zou zo kunnen instappen in het gesprek, maar ik ken de dames niet. Ik trek mijn handschoenen aan en denk aan Hans. Hij overweegt om een invalidenparkeerkaart aan te vragen. Al jaren probeer ik hem ervan te overtuigen dat dit een goed idee is. Het vergroot zijn wereld, hij wordt minder afhankelijk van mij en ik vermoed dat zijn humeur erop vooruit zal gaan.
‘Zie het als winst’, zeg ik tegen hem. ‘Je hoeft minder moeizaam te lopen, hebt minder pijn en je houdt meer energie over.’ Ik som voorbeelden op: de kapper, een museum in Amsterdam, parkeren bij het strand in Spanje. Maar hoe meer ik aandring, hoe geïrriteerder hij raakt.
‘Het voelt voor mij als een stigma’, zegt hij. ‘Je wordt met je neus op de feiten gedrukt dat je minder gezond bent.’ En hij ziet op tegen de vragen. Alsof het formulier niet alleen naar zijn gegevens vraagt, maar ook naar zijn trots.

Mijn jeugdliefde Marcel had er ook moeite mee. Hij woont tegenwoordig in een zorginstelling. Na een herseninfarct en meerdere TIA’s moest hij leren leven met de gevolgen van niet-aangeboren hersenletsel. Zijn epilepsie kwam daar nog bovenop.


‘Ben je niet goed wijs Marcel?’, zei zijn buurvrouw destijds. ‘Je komt terug van de bakker met je tong op je schoenen. Vraag toch net als ik een scootmobiel aan.’
Marcel weigerde in eerste instantie. Hij zag zichzelf al rijden, dwars door een stoet van meelijwekkende blikken. Nu zegt hij: ‘Ik heb mijn vrijheid terug. En automobilisten stoppen voor me.’ En dan lachend: ‘De supermarkt mijd ik voorlopig. Met mijn achterwielen ramde ik een stelling met soepblikken. Toen ben ik er vandoor gegaan.’

Op de parkeerplaats legt Mar haar hand op de schouder van haar zus.
‘Jaap moet zelf de beslissing nemen, dat kan een ander niet voor hem doen.’
Ze knikt en ik knik mee alsof ik ook word aangesproken.

Net als Jaap moet Hans zelf zover zijn om de hobbel te nemen. En ik? Ik parkeer mijn goede bedoelingen en stop wat extra geduld in de achterbak.

                                               —

Deel deze column
5 1 stem
Artikel waardering
Abonneer
Laat het weten als er
guest

0 Reacties
Oudste
Nieuwste Meest gestemd
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Scroll naar boven