Categorieën
Uncategorized

STIP

Het touwtje van de heliumballon houd ik stevig vast. Ik voel weer tranen opkomen en vis met mijn andere hand een zakdoek uit mijn broekzak. Ik dacht dat mijn tranen na vanmorgen wel op waren.

Het is kwart voor elf in de ochtend. Mijn huisarts reikt me een tissue aan. ‘Ik wil een sti-i-i-i-i-p aan de horizon’, jammer ik. Tranen lopen over mijn wangen. ‘Het is nu al negen maanden geleden dat ik COVID kreeg. En ik heb nog steeds een trits aan fysieke en mentale klachten.’ Ik som er een paar op: ‘moe, duizelig, kortademig, benauwd, verhoogde hartslag, als ik een sprintje probeer te trekken omdat het regent blokkeert het hele lijf, last van zwabberbenen, snel overprikkeld, ik kan me niet concentreren.’

‘En ik kan nog wel even doorgaan’, blèr ik door mijn tranen heen: ‘iedere ochtend als ik wakker word, heb ik pijn in mijn buik, bij drukte word ik paniekerig, ik zit al maanden thuis, ik mis het vliegen en iedere middag moet ik siësta houden. In de auto schrik ik wanneer er iemand uit een zijstraat schiet, fietsers zie ik over het hoofd en inhalen durf ik niet.’

Over haar leesbril kijkt de huisarts me aan en geeft me nog een tissue. ‘Simone, er is verrekte weinig bekend over Long COVID. Vanmorgen zat hier een vrouw van begin dertig en jullie klachten komen aardig overeen. Alleen heeft zij het al één jaar en negen maanden.’ Ik ben er stil van en knik. Ik zal moeten dealen met haar antwoord.

‘Ik kan je wel pillen voorschrijven om de benauwdheid wat te verlichten.’ Ze rammelt wat op haar toetsenbord. En ik staar naar de rood-blauw gekleurde vissen in het aquarium. Er zwemt daar ook een oranje vis met een zwarte vlek, alsof die een bloeduitstorting op zijn lijfje heeft. De deur gaat open. Er staat een man met een witte ringbaard in de deuropening. ‘Ben ik nou nóg niet aan de beurt? Ik heb een afspraak om elf uur.’ Hij wijst naar zijn horloge. De huisarts veert overeind en bonjourt de witte ringbaard terug de wachtkamer in. Ik lach door mijn tranen heen. ‘Fijn dat je weer een beetje kunt lachen’ zegt ze en ze overhandigt me het recept voor de apotheek.

En nu sta ik in onze achtertuin met de heliumballon tussen mijn vingers geklemd. Het miezert. Drie weken geleden stond de pakketbezorger op de stoep met een vierkante, limoengroene doos. Daarin zat een ballon met de tekst just because you are awesome. Er zat een kaartje aan met alle namen van mijn vliegvrienden van het eerste uur. Dat zijn mijn cursusgenoten uit de KLM-basiscursus uit 1994. Nu is de lucht voor een groot gedeelte uit de ballon. Ik wil niet meemaken dat hij er echt zielig uit gaat zien, dus ik neem de ballon mee naar buiten om deze in de afvalbak te proppen.

Ai, het touwtje glipt door mijn vingers heen en de ballon stijgt omhoog. Ik kijk hem na, hij komt vast wel weer naar beneden of hij blijft steken in de eikenboom. Dat doet hij niet. De ballon gaat verder omhoog richting de buren achter ons. Ik hoop dat hij daar aan een tak blijft steken, want het is verboden om een heliumballon in de lucht op te laten. De ballon gaat hoger en hoger. Hij gaat door een wolk en ik zie alleen nog maar een stip. Ik blijf hem volgen tot ik hem echt niet meer zie. Daar gaat mijn ballon. Een kleine stip aan de horizon.

Categorieën
Uncategorized

VERGETEN

Sanka en Vlek, onze katten, kijken me vragend aan. Alsof ze willen zeggen: waarom ben jij op dit uur nog buiten? Ik haal diep adem. Nog een keer doorzoek ik mijn handtas. Het is pikkedonker en bijna middernacht.

Ik gebruik mijn mobiel als zaklamp en schijn in alle zes vakjes. En ik vraag me hardop af ‘waar zijn mijn huissleutels?’ Opnieuw keer ik mijn grote tas binnenstebuiten: flesje water, mini-plu, twee boekjes en een sjaal.

Met een zucht check ik weer de zakken van mijn regenjas. Op een zakdoek en een oud boodschappenbriefje na zijn ze leeg. In ons huis brandt het keukenlicht. Verder is het aardedonker. Hans ligt allang te tukken. De katten cirkelen om me heen.

Ik kijk naar boven. Zal ik Hans wakker maken? Ik ben bang dat hij boos wordt als ik hem wek. En ik hoor hem al zeggen: ‘mindfulness Siem, houd aandacht bij wat je doet.’

In de auto, natuurlijk daar liggen ze vast. Enthousiast schijn ik met het licht van mijn mobiel over de matten en met mijn andere hand tast ik onder de rem en het gaspedaal. Niks. Het dashboardkastje haal ik leeg. Ik kom van alles tegen: een nagelvijl, pennen, muntjes, een zonnebril uit de jaren negentig, routebeschrijvingen, tandenstokers, een potje vitamine C-pillen, tissues en een kleverige lipgloss. Geen sleutels. Er zit maar één ding op, Hans wakker maken.

Ik druk langdurig op de voordeurbel. Het blijft stil in huis. Ik roep luid en duidelijk: ‘Hans, Hans!’ Naast de keukendeur staan lege wijnflessen en Hak-potjes, klaar voor de glasbak. Ik mik met het dekseltje van een van de Hak-potjes tegen het slaapkamerraam. Het belandt in de goot. Hans geeft geen sjoege. Met twee wijnflessen ram ik op de gietijzeren gieter. Het maakt een hels kabaal. Sanka en Vlek maken dat ze wegkomen.

Bij de overbuurvrouw brandt nog licht. Ik sprint erheen en zij weet van wanten, want ze plaatst haar uitschuifladder tegen onze gevel. Het is hoog en ik vind het eng, maar het moet. Ik klauter langzaam naar boven. Op de achtste traptrede durf ik niet verder en geef ik een brul. ‘Hans, Hans wakker worden.’ Door het open raam horen wij hem ronken.

Er blaft een hond op straat. Ik snel ernaar toe. Buiten adem doe ik mijn verhaal aan de buurman die net zijn Deense dog aan het uitlaten is. De buurman klimt tot bovenaan de ladder en hij steekt zijn hoofd door het slaapkamerraam. ‘WAKKER WORDEN.’

Dat is eindelijk genoeg voor Hans om te ontwaken. Even later opent hij versuft de deur. ‘Was jij je sleutels vergeten Siem?’

‘Het spijt me schat.’

Gelukkig vind ik binnen mijn sleutels op hun vertrouwde plek.

Siem, alsjeblieft beloof me dat je niet meer overhaast de deur uitgaat.’

‘Dat beloof ik’, zeg ik en ik kijk hem schuldbewust aan.

‘Wil je nog iets drinken, voordat we naar bed gaan?’

‘Ik dacht dat je zou ontploffen van kwaadheid.’

Hans reikt me een half glas Rioja aan. ‘Waarom denk je dat?’

Opeens realiseer ik me dat mijn ex uit zijn vel zou springen in zo’n situatie. Het is al 25 jaar geleden en ik wist toen nog niet eens van de ADD. ‘Herinneringen van vroeger denk ik’ mompel ik in gedachten.

‘Siem,’ zegt Hans, ik vind het niet erg dat je altijd dingen vergeet, maar dat ik niet je ex ben moet je nu echt eens onthouden.’

Categorieën
Uncategorized

STRIK

kinderverhaal

Paula neemt een grote hap van haar beschuit met aardbeienjam. ‘Mm, ik lust er nog wel één mam.’

‘Jij mag even wachten.’ Rustig borstelt moeder het blonde haar van Lisette die keurig stil blijft zitten. Ze weet dat dat moet van mama.

Moeder pakt een lange blonde haarlok beet en zet deze vast met een donkerblauwe strik. ‘Zo, klaar en nu smeer ik weer beschuitjes.’ ‘Ik wil ook een strik’, zegt Paula. Lisette schatert het uit. ‘Haha, dat kan helemaal niet.’ ‘Waarom niet?’, vraagt Paula. Dat weet je best’, zegt moeder. ‘Een strik blijft niet zitten in jouw haar. Daar is het veel te kort voor.’ ‘En toch wil ik een strik.’ Ze slaat met haar vuist op tafel. Op dat moment komt papa de keuken binnen. ‘Je kunt een strik in je veters krijgen,’ bromt papa. Beduusd kijkt Paula op. Lisette begint nog harder te lachen. ‘In mijn veters?’ vraagt Paula. ‘Ja meis, het wordt hoog tijd dat jij zelf je veters leert strikken.’

‘Dat kan ik niet, dat kan ik niet, dat kan ik niet.’ ‘Aaaahh, ik doe het nog één keertje voor,’ zegt papa. ‘Hoe moet dat anders, wanneer je groot bent?’ Paula denkt even na. ‘Dan loop ik gewoon op schoenen met klittenband. Of op van die schoenen waar je zo in kunt stappen.’ ‘Maar je wilt toch graag die paarse sneakers met die witte ster aan? Waar je zo hard op kunt rennen?’ ‘Dat is waar.’ Papa doet geduldig voor hoe je een lus maakt met de ene veter en de andere veter eromheen doet. Nu probeert Paula haar veters zelf te strikken. Het lukt niet. ‘Ik kan het niet, ik kan het niet, ik kan het niet.’ Boos loopt Paula weg.

‘Paula,’ roept Lisette, ‘mag ik je voordoen hoe je je veters moet strikken? ‘Ik ben ook linkshandig, net als jij.’ Ineens ziet Paula hoe het moet. Ze oefent en oefent. En ja hoor, ze kan het. ‘Ik kan het, ik kan het, ik kan het!’ Ze zoent eerst Lisette, dan papa en mama. Apetrots rent ze op haar paarse sneakers naar school.

Categorieën
Uncategorized

ZETEL

December 2004

‘Ik hoor mijn mandje roepen’, zeg ik tegen de collega die naast me loopt.

In de vertrekhal op Schiphol liggen de passagiers als ronkende zeehonden over elkaar heen op de grijze zitbanken. Er zijn er zelfs bij die slapen op de grond.

Om de 400 meter staat een kerstboom met goudkleurige ballen en minivliegtuigen.

Samen met mijn collega’s kom ik na een ellenlange vertraging uit Rome terug op Schiphol. We zijn blij dat we mochten landen met deze donder en bliksem.

Mijn collega’s en ik slaan de hoek om naar vertrekhal twee. Daar slapen passagiers op veldbedden. Een man in een rode jurk snurkt zo hard als een beer en dat met zijn mond wijd opengesperd. Ik onderdruk een lach en zie dat mijn collega’s hetzelfde doen.

Op de grote klok in het midden van de hal zie ik dat het 3.15 uur is. Ik kan mijn ene voet niet meer voor de andere zetten. Door de metershoge ramen scheurt de bliksem de inktzwarte lucht in tweeën. Er kan geen kist meer vertrekken. Voordat een kist de lucht in gaat moet er getankt worden. Dat mag nu niet, want met iedere bliksemschicht stijgt het ontploffingsgevaar.

Mijn collega’s zien bleek van vermoeidheid. We lopen door naar de volgende hal. Daar staat op een podium een zetel waar je met zijn drieën op kunt zitten. Hij is van rood fluweel en staat klaar voor de Kerstman die in aantocht is. De zetel is bezet. Er ligt een donkere man op van wel twee meter lang met een scheef hangende kerstmuts op zijn hoofd. Zijn benen bungelen over de armleuning. Hij slaapt met een glimlach op zijn gezicht.

Híj wel.

Categorieën
Uncategorized

DUIKEN

kinderverhaal

Elke zondagochtend gaan Pieter en Katja samen naar zwembad De Zwoer. Daar krijgen ze zwemles. Pieter is er al helemaal klaar voor. Hij staat met zijn zwemtas voor het huis van Katja te wachten. In de zwemtas zitten zijn rood-witte zwembroek, een grote handdoek, zijn slippers, shampoo en een kammetje.

Ze vinden het beiden reuzeleuk, de fijnste sport die er is. Op school hebben ze gymles, maar dat vinden ze niet zo fijn als zwemmen. Ze kunnen geen bal vangen, ze zijn niet zo lenig en hun gevoel voor ritme is ook ver te zoeken.

Laat deze twee maar zwemmen, dat kunnen ze als de beste. Ze hebben afgesproken dat ze samen alle zwemdiploma’s gaan halen, inclusief reddingszwemmen. Natuurlijk kunnen ze al de borstcrawl en de schoolslag. Op de rug zwemmen kunnen ze ook heel goed. De rugcrawl en de enkelvoudige rugslag.

Met een sierlijke boog duikt Katja erin. Pieter springt van de kant. De badjuf kijkt naar Pieter. Wanneer Pieter weer aan de kant is, zegt ze dat Pieter nu toch echt eens moet leren duiken. Pieter doet net of hij het niet hoort. Duiken is het enige dat hij niet wil. Of eigenlijk niet durft.

‘Kom’, zegt de badjuf, ‘we gaan oefenen.’ Met zijn tenen staat Pieter over de rand. Zijn hoofd naar beneden. En zijn armen over zijn hoofd gevouwen. Zijn vingers raken nu bijna zijn tenen. De andere kinderen kijken naar Pieter. Pieter wil niet voor gek staan. Katja fluistert ‘hup Pieter, je kan het. Kin op de borst houden en naar je bovenbenen blijven kijken.’ Oh ja, denkt Pieter, dat is heel belangrijk, anders duik ik plat en dan heb ik straks een rode buik. Hij is bang om met zijn hoofd tegen de rand te komen.

Vanaf de kant hoort Pieter ‘een, twee…..’ En daar gaat-ie. ‘Oefenen, oefenen, oefenen Pieter.’ Pffff, zwemmen is cool, duiken is afschuwelijk’, mompelt Pieter. Hij is jaloers op Katja. Prachtig kan zij het zwembad induiken. Hij lijkt wel een kleuter.

Samen kijken ze op de computer naar filmpjes van bekende zwemmers die in het water duiken. Ook kijkt hij naar een filmpje van zichzelf. De badjuf heeft met haar telefoon Pieter gefilmd en dat naar hem toe gemaild. Zo kan hij goed vergelijken. Die nacht droomt Pieter. Hij ziet zichzelf vanaf de rand van het zwembad als een echte zwemmer het water induiken. Wanneer hij wakker wordt, ziet hij in gedachte het duiken nog steeds voor zich.

Met Katja gaat hij oefenen. Iedere keer gaat het iets beter. Ze willen ook zo graag samen nog meer zwemslagen leren en alle zwemdiploma’s halen. De badjuf heeft beloofd dat als hij het duiken onder de knie krijgt, ze Pieter en Katja ook de vlinderslag gaat leren.

‘Moet ik ook leren om achterover te duiken juf? Want dat durf ik echt niet!’ ‘Nee hoor Pieter, dat hoeft niet.’ Met een grote grijns duikt Pieter er weer in en zwemt zo hard als hij kan op Katja af.

Categorieën
Uncategorized

ALLES TEGELIJK

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is afwasmachine-768x1024.jpg

Voorzichtig peuter ik aan het kettinkje van het thee-ei. Het is verstrikt geraakt in de afwasmachine. Het lukt niet, het kettinkje zit múúrvast. Ik pak dan maar een stapel borden en zet ze in de servieskast. Ondertussen klinkt er een hartverscheurend lied uit de radio: ‘Pense a moi, pense a moi.’

Vandaag is het Franse dag bij Radio M-Utrecht. Snel pak ik mijn mobiel en richt de melodieherkenner Shazam op de radio. Aha, het lied heet Message personnel en wordt gezongen door Michel Berger. De melodie grijpt me aan en ik ben ontroerd door de gevoelige stem van de zanger. Ook al versta ik er geen klap van. Míjn Frans komt niet veel verder dan: je m’appelle Simone.

Op mijn iPad google ik Michel Berger. Ik neem er een kopje koffie bij. Die vaatwasser komt zo wel. Hè, de koffieboontjes zijn weer eens op. Ik trek een Illy-blik open. Iets te enthousiast, want de boontjes vliegen in het rond. De keukenvloer ligt er vol mee. Sanka en Vlek, onze katten komen kijken. Het kletterende geluid van de bonen doet ze natuurlijk denken aan hun brokjes.

En daar komt nummer drie: Hans. ‘Wat gebeurt hier?’ Hij schudt zijn hoofd en zonder op mijn antwoord te wachten, maakt hij zich uit de voeten.

Driftig veeg ik alle bonen bij elkaar. Wáár was ik mee bezig? Oh ja, de afwasmachine uitruimen en ik wilde Michel Berger googelen. Die eerst. Er komt een man in beeld met een bos donkerbruine krullen en een dromerige oogopslag. Op Wikipedia lees ik dat hij behalve zanger ook de tekstschrijver was voor zijn echtgenote, de zangeres France Gall (Poupée de cire poupée de son). Oh, hij overleed op 44-jarige leeftijd aan een hartaanval tijdens een partijtje tennis. Hij ligt op het kerkhof van Montmartre.

‘Wat heb jij met dat thee-ei uitgespookt?’ Ah, Hans is er weer. Met engelengeduld wurmt hij het ei uit het rek. Daarna vertrekt hij met een mok koffie richting zijn krant.

Dan ga ik nu verder met uitruimen. Of wacht, ik gooi even een wasje in de wasmachine. ‘Siem’, hoor ik als ik de trap op ren: ‘doe de dingen in batches.’

Terug in de keuken pak ik de glazen lasagneschaal uit de vaatwasser en ik zie uit mijn ooghoek dat de blaadjes van de basilicum slap hangen. Met mijn ene hand druk ik de lasagneschaal tegen mijn borst aan en met de andere hand giet ik water op de basilicum. Ik loop met de gieter meteen door naar de woonkamer en geef ook de planten daar water. Dan is het nu tijd voor het vervelendste onderdeel: het bestek uitruimen.

‘Piep, piep.’ Ik hoor de vuilniswagen die zo te horen zijn rondje draait om het Burgemeesterpark. Oh, ik ben vergeten de groenbak aan de weg te zetten.

Hijgend en met een rood hoofd kom ik met onze bak bij de vuilnismannen aan. De knapste van de drie geeft me een knipoog, maar ik heb geen tijd om te reageren. Mijn zus kan ieder moment op de stoep staan, dus voort met het huishouden.

Als een razende roeland cross ik met de stofzuiger door de woonkamer. De poezen stuiven alle kanten op en kijken mij verontwaardigd aan. Ik kijk naar de klok: help, over een kwartier staat Marjolein voor de deur. Zusje is altijd stipt op tijd. Met de Franse slag sjees ik met een emmer sop door het huis. In de keuken zet ik de radio harder en zing ik mee met de Poppy’s.

Dingdong, daar is mijn zus. Met het zweet op mijn rug en een brede glimlach open ik de deur. De emmer sop staat nog op het aanrecht en de stofzuiger ligt nog in de hal. Tant pis.

‘Zo Siem, was je nog even de keuken aan het doen?’, vraagt mijn zus lachend.

‘Geloof me,’ antwoord ik, ‘met mijn hoofd doe je daar de héle dag over.’

Tien minuten later zet ik een cappuccino voor mijn zus op tafel. ‘Oh, ik pak nog even een lepeltje’, zeg ik erbij. Ik trek de la open. Verhip, wáár zijn alle lepeltjes gebleven? Ik zucht. Natúúrlijk, die liggen nog in de afwasmachine, die ik nog steeds niet heb uitgeruimd.

PS: Verhaal Alles tegelijk heeft de 1e prijs gewonnen met de wedstrijd ‘Hoe ga jij om met je AD(H)D’! (Vereniging Impuls & Woortblind)

Categorieën
Uncategorized

CONTIKI

Er zijn mensen die stelen uit onvrede.

Ik ben het beu om op zaterdag naar ‘s-Gravenhage te rijden en over te werken.’

Het is 2006. Mijn vader houdt zijn Wedgewoodkopje in de lucht ten teken dat zijn vriendin Sonja nog een keer mag inschenken.

‘Simone, ik ga je wat opbiechten.’

Ik recht mijn rug.

Een paar zaterdagen terug had ik om 15.00 uur alle paperassen op mijn bureau weggewerkt. Ik liep naar het voorraadmagazijn en heb zoveel pakken Douwe Egberts-rood meegenomen als ik kon dragen. De week daarop lag er een briefje bovenop de resterende pakken koffie. ‘Wie steelt is een dief’ stond erop.’

Pa kijkt me met zijn fijngeknepen ogen en een brede glimlach aan alsof hij de mop van de eeuw vertelt. Ik weet geen woord uit te brengen en ik kijk naar Sonja. Van Sonja krijg ik geen bijval. Logisch, ze is geen haar beter en maakt het vele malen bonter. Haar voorraadkast puilt uit van de grootverpakkingen toiletpapier, vuilniszakken en schoonmaakmiddelen. Ze gapt deze uit het verzorgingshuis waar ze werkt als hoofdverpleegkundige. Zelf zei zij altijd hóófdverpleegkundige.

Een collega vertelde aan mij dat wanneer hij in het huis van zijn ex-vrouw was, hij stiekem een fles rode wijn pikte. ‘Dat merkt het drankorgel toch niet’, waren zijn woorden.

‘Waarom doe je dat in vredesnaam?’ Zijn stemgeluid zakte. ‘Toen wij in scheiding lagen, betaalde zij met míjn bankpas de kosten van háár advocaat.

Mocht ik ooit de neiging krijgen om uit hebzucht, onverschilligheid of boosheid spullen te ontvreemden dan vertrouw ik erop dat bij mij de alarmbellen afgaan. Als ik een paperclip achteroverdruk geeft dat mij al een slecht gevoel.

Wanneer er bij Albert Heijn per ongeluk iets in mijn boodschappenkar blijft liggen, loop ik naar de servicebalie om het alsnog te betalen.

Het is 1981. Met twee vingers strijk ik over de bewasemde spiegel. Ik staar naar mijn evenbeeld. Mijn natte haren druppen op het azuurblauwe douchematje. ‘Lijk ik op mijn moeder?’, mompel ik tegen mezelf.

Het matje is zo blauw als de kozijnen van de huizen op het Griekse eiland Kos. En het is met wit glansdraad omrand. In het midden staat met sierlijke letters CONTIKI.

‘Mam, heb jij dat matje meegenomen?’

Een herinnering aan de Griekse zon mijn kind.’

‘Wie steelt is een dief! Hoe kun je? Waarom koop je niet zo’n ding bij de Hema?’

Ach, één zo’n matje. Daar ligt het hotel niet wakker van hoor.’

‘Gestolen goed gedijt niet. Dat zeg jij toch altijd?’

Mijn moeder haalt haar schouders op en slentert de badkamer uit. Ik loop naar mijn slaapkamer en smijt de deur dicht.

Die mat was het begin van mijn moeders wat-kan-mij-het-bommen-mentaliteit. Voor mijn moeder was het te laat om tot inkeer te komen.

Maar ik vertrouw op míjn alarmbellen.

Categorieën
Uncategorized

HEGGENSCHAAR

‘Zo, daar ben je volgens mij wel aan toe.’

Ik sta tegenover onze tuinman in mijn badjas. Ik reik hem koffie en een koek aan. Tuinman Piet maakt onze tuin winterklaar. Hij gaat de buxusbollen snoeien. Onze zwarte kat schuurt langs zijn laarzen. Ik kijk naar mijn rode sloffen.

‘Wat zie je aan mij?’ Zijn lichtblauwe ogen kijken me aan zonder te knipperen.

Ik voel dat ik bloos en ik zie dat hij het opmerkt.

‘Eh’, begin ik voorzichtig.

‘Je ziet het echt niet hè?’

Een vleug eau de toilette prikkelt mijn neus, geur Axe vermoed ik. In ieder geval is het geen Chanel.

Hij roert in zijn koffie en neemt een hap van zijn gevulde koek. Ik spiek nog een keer naar hem. Ongeschoren kop, groene laarzen met stalen neuzen en dezelfde korte broek en polo als vorige week. Op het terras staan de groenbakken en een emmer voor het snoeiafval. De heggenschaar ligt ernaast.

‘Simone, ik heb mijn haar gemillimeterd.’

‘Heb je dat zélf gedaan?’

‘Met deze.’ Hij pakt de heggenschaar en hij knipoogt naar me.

‘Als je buxusbollen in vorm kunt snoeien, kun je ook zelf je haren wel knippen.’

Mijn man komt het pad opgelopen met een sigaar tussen zijn lippen en het Utrechts Nieuwsblad onder zijn arm.

‘Hans, als je wilt knip ik ook jouw haren’, zegt de tuinman.

‘Schat, dat scheelt je € 49,–‘, flap ik eruit.

Onze tuinman kijkt me verbijsterd aan en laat van schrik zijn heggenschaar vallen.

‘Wáát, betalen jullie € 49,– om je haar te laten knippen? Zeker in de stad?’

‘Wij gaan in Amsterdam naar de kapper.

Hans snelt naar binnen. En ik kan mijn tong wel afbijten.

Onze tuinman zet zijn koffiemok op de terrastafel en kijkt me met grote ogen aan.

‘He-le-maal naar Amsterdam? De rit ernaar toe kost je al een vermogen.’

Snel volg ik Hans naar binnen. Vanuit het raam zie ik hoe de tuinman een paar passen naar achteren zet. Met fijngeknepen ogen en een knik stelt hij vast dat hij de buxusbol symmetrisch heeft gesnoeid.

Binnenkort rijd ik naar Amsterdam om mijn haren in de verf te laten zetten. Dan ben ik zowat het driedubbele kwijt. Maar geen haar op mijn hoofd die er aan denkt om hem dat te vertellen.

Categorieën
Uncategorized

QR-CODE

‘Nee, ik heb mijn mobiel niet bij me’, zegt de man met de donkere krulsnor tegen zijn vrouw. Hij voelt weer in zijn binnenzak.

De vrouw van de krulsnor is het type vrouw dat weleens een joint rookt. Ze draagt een wijd, donkerpaars gewaad tot aan haar enkels. Haar krullende oranje haar zit als een toef bovenop haar hoofd.

Mijn man en ik staan buiten in de rij voor de stadsschouwburg in Utrecht. We gaan naar Herman van Veen. Ik knijp mijn man in zijn hand. Sinds Corona is dit ons eerste uitje naar de schouwburg. Wij lazen boeken en keken samen op de bank naar tig series. We vonden het knus, helemaal als de open haard brandde. Maar na een week of twee snakte ik naar iets buitenshuis. Nu jubelen we als kinderen die voor de poort van de Efteling staan.

‘Zit die niet in jouw handtas?’, vraagt de man aan zijn vrouw. Ze grabbelt in haar oranje buideltas.

Ik kijk op mijn horloge. We hebben nog twintig minuten. ‘Ik wil nog wel een kop koffie’, zegt mijn man. ‘En ik moet plassen’, fluister ik in zijn oor.

‘Nee Frans, jouw mobiel heb ík niet bij me. Daar moet je zelf voor zorgen. Straks mogen we niet naar binnen.’ Ze rolt met haar ogen.

Het stel is aan de beurt. De jongen van de stadsschouwburg die de QR-codes controleert vraagt aan het echtpaar of er iemand thuis is. En of diegene een foto van de QR-code van meneer kan appen naar de mobiel van mevrouw, zodat hij de QR-code toch kan checken.

Ik kan mijn plas bijna niet meer ophouden en leun tegen een witte pilaar. Mijn man steekt een sigaar op. Iedereen die naar binnen wil heeft zijn mobiel in de aanslag.

Het paarse gewaad buigt zich over haar mobiel heen. Er parelen zweetdruppels langs haar slaap.

Ze slaakt een zucht. ‘Ja, daar komt ie’, en ze laat de foto met de QR-code van haar man zien. De schouwburgjongen houdt zijn apparaat erboven en scant de QR-code. Hoera, het is gelukt.

De jongen maakt een gebaar met zijn handen. ‘Doorlopen, u mag naar binnen.’ Ze kijkt vertwijfeld met haar telefoon nog in haar hand naar de schouwburgjongen.

Het doet me denken aan míjn werk. Om met het vliegtuig op tijd te vertrekken moet je de passagiers naar binnen heuen en als we geland zijn moet je ze er weer uitvegen.

Ook wij worden goedgekeurd. Ik sjees meteen door naar de toiletten en loop daar het paarse gewaad tegen het lijf.

‘Begrijpt u dat nou? Doen ze moeilijk over de coronapas en dan vergeten ze om míjn QR-code te scannen. Ikzelf ben helemaal niet gecontroleerd.’

‘Mevrouw, hoe kunnen ze ú nou over het hoofd zien.’

Categorieën
Uncategorized

VLEUGELS

Zet het hek open en vlieg uit.

Vlieg hoog.

Vlieg verder.

Blijf even hangen.

Niet te lang.

Vergeet niet

te genieten

van het uitzicht

van vandaag.