Categorieën
Uncategorized

normaôl

‘Mag ik van u drie walnotenkoeken en drie gemberboeken?’ Voor mij staat een man in een strak donkerblauw pak.  ‘Vandaag trakteer ik de dames op kantoor.’

Ik wacht op mijn beurt voor de toonbank bij onze plaatselijke bakkerij . Mijn ogen schieten heen en weer van koeken naar de taartjes en het gebak.  Behalve slagroompunten met een stukje ananas en een chocolaatje er bovenop liggen hier bananensoezen, chipolatagebak,tompouces, Schwarzwalderkirschgebak en skigebak. De koeken hebben een naam zoals een spoorpunt, appelgabber en kersenkleuter.

De verkoopmedewerkster vertrekt geen spier. ‘Anders nog iets meneer?’  Ze heeft een rode blos op haar bolle toet.

De zakenman wijst naar de appelgabbers. ‘Daar wil ik er graag vier van en van die wil ik er twee.’ Nu wijst hij naar de kersenkleuters. Die namen krijgt hij blijkbaar zijn mond niet uit.

‘Anders nog iets?’

Ik zucht zo stil mogelijk. Het schiet hier voor geen meter op en ik heb haast.

‘Een half sesam volkoren alstublieft.’

‘Dik of normaôl?’

‘Pardon?’

‘Dik of normaôl gesneden?’

Bij mij borrelt een binnenpretje omhoog. Ik kan er echt niets aan doen, ik voel mijn linkermondhoek omhoog krullen en ik schiet in de lach. Deze vrouw spreekt altijd het woord normaal uit met een accent of ze van het platteland komt.  Ze haalt haar neus op en werpt mij een blik toe alsof ze me nooit meer wil zien.

 De trakterende zakenman schraapt zijn keel.

‘Graag normaal alstublieft.’ Hij balanceert van zijn tenen naar zijn hakken en weer terug. En dan vertrekt hij met volle handen richting kassa.

Mooi, ik ben aan de beurt. ‘Mag ik van u twee saucijzenbroodjes, een mueslibol en een kaasstengel?’ ‘En, ratel ik er direct achteraan, ‘mag ik alvast voor vrijdag een half casino wit bestellen?’ ‘Normaal gesneden graag’, vraag ik vlug. Ik reken alles af inclusief het half casino, zodat ik vrijdag snel klaar ben met alleen het brood  ophalen.

Op vrijdag stal ik mijn fiets voor de etalage. Uit mijn ooghoek zie ik verkoopster normaôl achter de toonbank staan.

Ik open de deur en stap naar binnen. Op dat moment gooit verkoopster normaôl iets mijn kant op. Een half casino wit belandt vlak voor mijn voeten.

M’n mond valt open. Wat doet ze nu?

‘Oh sorry. Sorry,sorry,sorry. Ik dacht u vangt het wel’

Ik sta als aan de grond genageld en ik weet niets uit te brengen.

Voordat ik de winkel uitstap mompel ik: ‘doe eens normaal joh.’

Onmiddellijk kaatst ze de bal terug: ‘ik doe toch normaôl.’

Categorieën
Uncategorized

KAPOTJE

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is KAPOTJE-1024x768.jpg

                                                                             

 ‘Alstublieft, uw kamersleutel.’

Het is namiddag in Bangkok. Met mijn KLM-collega’s sta ik na een vlucht van meer dan elf uur bij de receptie van ons hotel. In Nederland is het 9.00 uur en beginnen de meeste mensen frisgewassen aan hun werkdag. Vanwege de Covid-19maatregelen heeft KLM-crew in Bangkok een verplichte hotelkamerquarantaine.

De receptioniste draagt een perzikkleurige sarong en heeft een echte orchidee in haar haar. Ze verdeelt de kamersleutels onder alle collega’s. Ieder bemanningslid ontvangt een elektronische sleutel die één keer werkt. Je kunt niet zomaar overwippen naar een andere kamer.

Het setje uit onze crew is voor mij aan de beurt. Zij heeft haar blonde haar in een strakke paardenstaart. Aan haar is niet te zien dat ze een duty van meer dan twaalf uur erop heeft zitten. Hij, een bonk van een kerel, heeft een blik alsof hij ieder moment het uniform van haar lijf wil trekken.

De Thaise schone overhandigt hen beiden een afzonderlijke sleutel.

‘Eén sleutel is voor ons voldoende’, zegt de blonde staart.

‘I am sorry’, klinkt in het in Thais Engels. ‘Omdat alle bemanningsleden verplicht in quarantaine moeten, moet iedere collega op zijn eigen kamer verblijven. ’ Nu doet de bonk een duit in het zakje. ‘Wij zijn man en vrouw en willen graag op één kamer’.

‘ No can do, alleen als u uw trouwboekje laat zien maken we een uitzondering.’

Ai, hier is geen speld tussen te krijgen en met neerhangende mondhoeken druipt het stel af.

Na drie uur slaap videobel ik met mijn man. Ik vertel hem het verhaal van het setje en de kamerquarantaine. Ik zit in m’n roze nachthemd aan het bureau met een dampende kop thee voor me. Mijn man zit met een ongeschoren kop in z’n schipperstrui met een mok koffie in zijn hand.

‘Schat, ik zit hier nog 19 uur vast op mijn kamer’. Ik richt de camera van mijn mobiel via het raam naar de buitenwereld. Vanuit het groen staart er een stenen Boeddha met een opgeheven hand naar mijn man. ‘Bij Boeddha  is het dertig graden en hier blaast de airco in mijn nek.’

‘Simone’, spreekt mijn man me toe. ‘Maak er het beste van.’

Na ons telefoongesprek open ik de kledingkast. Fijn, er hangt hier een witte katoenen badjas met  wafeltjespatroon. Ik trek een lade open. Haha, wat ligt hier? Een pakje Durex. For sale.

Gauw maak ik een foto voor de groepsapp van onze crew. ‘Hoe is het met jullie? Ik verveel me kapotje.’

Categorieën
Uncategorized

VINGERKNIP

 Dwars door de mondkapjes heen kan ik het goed verstaan: ‘Dat meen je niet Suus. Deed hij dat echt? Nou, dat moet bij mij niemand  flikken. Dan ben ik meteen pleite. Bij zo iemand blijf je toch niet?’

De vrouw in de lichtblauwe regenjas kijkt de ander met donkere ogen aan.

Ik zit in een trein die nu al een minuut of acht stilstaat op station Driebergen-Zeist terwijl ik naar Utrecht wil. Ik kijk naar de regendruppels op de ruiten en ondertussen luister ik een gesprek af.

Op het bankje naast me aan de andere kant van het gangpad nemen de twee vrouwen de relatie van de een door. Suus heeft strak gestylde wenkbrauwen in de vorm van het Nike-logo en ratelt maar door over de vader van haar kinderen.

‘Ik pik het ook niet langer’, zegt  Suus. ‘Hij werkt , nu in de coronaperiode, de godganse dag aan de eettafel. De kinderen moeten stil zijn, omdat meneer werkt en zich moet concentreren, zegt ie. Dat spreekt hij ook echt zo uit, con-cen-tre-ren.’

 Er ploft een vrolijke blonde krullenbol tegenover mij neer, type Jochem Myjer. Hij heeft de trein weten te halen, omdat we vertraging hebben, gok ik zomaar. De geluksvogel. Die Suus met haar strakke wenkbrauwen zie ik even loeren naar Jochem en ze vervolgt haar verhaal tegen de lichtblauwe regenjas. Jochem zit er meteen in en kijkt me verbaasd aan. Ik tuur maar weer naar buiten. In het weiland staat een eenzame zwarte schuur van vermolmd hout.

De lichtblauwe regenjas luistert hoofdschuddend naar haar vriendin Suus.

‘Als hij een telefoongesprek voert en de kinderen maken kabaal, dan gaat ie staan en gebaart in mijn richting en begint met z’n vingers te knippen. Kijk zo, klik, klik, klik. Aan de ene hand zijn telefoon en met de andere hand klik, klik, klik’.

Jochem geeft me een knipoog en ik voel dat ik bloos. In gedachten  ben ik bij mijn vader. In restaurants knipte hij altijd met zijn vingers om de ober te wenken. Mijn zusje en ik schaamden onze ogen uit de kop.

 ‘Ik zou het wel weten’,  zegt de lichtblauwe regenjas. ‘Dit betekent niet veel goeds. Ik zou m’n kinderen oppakken en linea recta naar m’n moeder gaan. Dit pik je toch niet langer? Waarom vraag je niet of hij boven gaat werken Suus?’

‘Dat weigert ie’, zegt ze met een verdrietige blik. ‘Ach ja, we zitten in een dip, maar ik heb natuurlijk ook wel hele leuke tijden meegemaakt. Ik mag met hem mee naar uitjes van zijn werk: rode-loper-events, diners, rondleidingen en concerten. Dan kan ik me optutten en m’n glitterjurk aantrekken. Vorig jaar zijn we nog met zijn hele bedrijf in Parijs geweest. We logeerden in zo’n boetiekhotel.’

Terwijl ze dit vertelt, straalt ze. Jochem en ik kijken elkaar even aan. We weten beiden dat ze blijft bij de heer vingerknip. De trein komt in beweging en het mechanische geratel overstemt al snel het gemompel vanachter de mondkapjes. Jochem is intussen verdiept in zijn mobieltje. Ik zak weg in een droom waarin ik in een lichtgroene jurk met lovertjes aan de arm van Jochem over de rode loper schrijd.

Categorieën
Uncategorized

DEZE VAN GOGH IS VAN MIJ

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is LR-LR-Vincent-893x1024.jpg

‘Iedere dag vinden we etensresten. Van boerenkool tot stukjes witbrood. Ja, lacht u maar, wij kunnen het opruimen. En dat iedere dag. Straks komt er nog ongedierte’.

‘Het spijt me’, zeg ik tegen José, een van de verzorgsters van Beukenstein. Zelf heb ik het één keer gezien. Ik kwam binnen op de kamer van oom Jo. Hij duwde net  een lepel met gele vla tegen het fotolijstje van tante Mietje aan. ‘Hapje voor Mietje, toe dan, mondje open.’

 Wat moet ik doen? Zeggen dat tante Mietje al een tijdje geleden is gaan hemelen?  

Vandaag komt oom Jo bij ons een borreltje drinken. Via Park Seminarie gaan we door het bos naar ons huis. Hij heeft een borstelsnor die door zijn leeftijd wit is geworden, net als zijn haardos. Hij draagt nog altijd zijn jagersjas en z’n hoed met een veertje erop.  Oom Jo snelt voort in zijn elektrische rolstoel. Ik  kan hem nauwelijks bijbenen. Waarschijnlijk verheugt hij zich op z’n favoriete drankje, de kopstoot.

Plotseling draait hij de rolstoel richting de Hoofdstraat. ‘Oh, ik moet nog even terug naar de zaak en wat telefoontjes plegen.’

‘Ome Jo, u bent al wat jaartjes met pensioen.’

‘Echt waar?  Och kind wat vliegt de tijd’.

Inderdaad, schiet door m’n hoofd, zo geeft Oom Jo nog financiële adviezen en zo voert hij eten aan een fotolijstje. Hij wijst naar het halfronde witte flatgebouw. ‘Weet je nog, Mietje noemde dit altijd Paleis Soestdijk’.  Oom Jo kijkt me met een serieuze uitdrukking aan. Daarnet was hij verward en nu is hij helder, realiseer ik me. Hij weet dat tante Mietje er niet meer is.

Even later zijn we er. ‘Kijk eens oom Jo, uw favoriete duo.’ Mijn man heeft voor hem een pilsje en een jonge jenever klaargezet.

‘Wilt u een stukje kaas’?

‘Mmmm, lekker zeg, deze krijgen we in Beukenstein niet.’

‘Dit is Remeker kaas, gemaakt van jerseykoeien.’

Oom Jo stopt met kauwen en prevelt:  ‘is het wel deugdelijk dan?’

Ik haal diep adem, wat moet ik hier nou weer op zeggen.                                                        

‘Mijn hemel, waar heb je die nou gevonden?, en waarom hangt het hier?’, vraagt hij.

 Ik zucht hard. ‘Ome Jo’, begin ik.

Oom Jo rijdt naar de televisie.  Boven onze televisie hangt het Caféterras bij nacht.  ‘Ja hoor, aan de onderkant van de lijst is een stukje af, deze Van Gogh is van mij.’

Bij ons hangt het schilderij net als vroeger bij oom Jo en tante Mietje boven de televisie.  Wanneer ik bij hen logeerde leerde oom Jo ons badmintonnen op de Boswei in Driebergen. Hij haalde mij in zijn zilvergrijze Citroen CX van het station af en als we op de Arnhemse Bovenweg reden en het witte hek passeerden, wist ik:  we zijn er bijna.

 Na het avondeten moest ik mijn mond houden, want oom en tante keken naar het journaal. Ik kon mijn aandacht niet bij het nieuws houden dus droomde ik meestal weg bij de sterrenhemel en de bistrotafeltjes van Van Gogh.

‘Ik ga mijn Van Gogh zo meenemen’, bromt oom Jo.

Mijn man kijkt vanachter de Stichtse Courant naar mij. Ik ken zijn blik. Dit mag ik zelf oplossen. ‘Ome Jo, toen u naar Beukenstein verhuisde, heeft u deze aan mij  gegeven.’

Hij zegt niets.

‘Nou ik weet het goed gemaakt’, zegt mijn man, ‘ we plannen een uitje naar het Kröller Müller museum, daar hangt het origineel.’

 ‘Niks ervan, deze Van Gogh is van mij.’ Hij rijdt naar voren  en ramt vol de glazen televisietafel. Het televisietoestel wankelt heen en weer. Mijn man springt op: ‘Oh nee.’

 Binnen drie grote stappen ben ik bij het schilderij en gris het van de muur. ‘Ome Jo, we nemen het mee naar uw huis.’ Ik douw het schilderij in een vuilniszak en ik doe net alsof ik het schilderij achter zijn stoel bevestig.

Hij drinkt gauw zijn bier en de jenever op en kauwt de kaasblokken weg. Als we Beukenstein naderen is hij het schilderij vergeten. Ik loop via een omweg naar huis. Bij het witte hek aangekomen, omklem ik het met beide handen en sluit mijn ogen. Ik hoop maar dat de goede herinneringen aan oom Jo dit soort ervaringen als vandaag zullen verdringen.

Categorieën
Uncategorized

TERUGGESLINGERD

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is ORANJERIE-HYDEPARK-1024x683.jpg

‘Mevrouw, ik heb hier een glas water voor u. Ik zag dat u struikelde en op het pad viel.’

 Ik voel me een beetje duizelig. Glazig kijk ik hem aan. Ondertussen veeg ik het fijne grind  van mijn handen. De ober heeft lichtgolvend haar en een keurig wit gesteven overhemd. Hij buigt naar me en reikt op een zilveren dienblad een glas water aan.

‘Mevrouw, mag ik u een kop koffie aanbieden?’, vraagt hij met zachte stem.

‘Het spijt me’ en ik wijs op mijn hardloopoutfit,  ‘ik heb helemaal geen geld bij me.’

‘Mevrouw, ik bied het u gaarne aan.’

‘Oh, wat vriendelijk van u, een kop koffie lijkt me heerlijk.’

Ik neem een slok van het lekkerste water ooit.

Langzaam komt het weer in me op, het waar, wanneer en waarom.

Het was nog fris in de vroege morgen en twintig minuten geleden jogde ik over het slingerende schelpenpad van Hydepark in Doorn, aan de grens van Driebergen. Ik kwam uit bij de oranjerie van Hydepark. Daar ben ik nu, voor de eerste keer in mijn leven. De oranjerie lijkt wel een kleine versie van een Frans paleis met imposante zuilen, hoge boogramen en glas-in-loodramen die verwerkt zijn in een koepel.

Op het bordes wacht ik op de koffie. Nergens zie ik stoelen en tafeltjes. Door de vensters van de oranjerie gluur ik naar binnen. Ik zie de ober water opgieten in een filterzakje.

Ik draai me om en geniet van het uitzicht. De ochtendzon weerkaatst in de vijver met zijn hoeken en rondingen. Rond de waterpartij loopt een grindpad.  In het verlengde zie ik een pad met aan beide zijden een heg.  Aan de bovenzijde zijn ze met elkaar verbonden, zodat het een soort tunnel is. Dat heet een berceau, las ik laatst. Het gevoel bekruipt mij dat ik teruggeslingerd ben in de tijd.

‘Alstublieft mevrouw’.

Nu valt het mij op dat de ober boven dat keurige hemd een vlinderstrik draagt. Op een van de twee poeren naast de bordestrap ligt een zilveren dienblad met daarop een wit porseleinen kop en schotel, een zilveren lepeltje en een zilveren melk- en suikerkannetje.  Voor ik de kans krijg deze goedaardige heer te bedanken, is hij uit het zicht verdwenen.

Met het geurende kopje koffie in mijn hand bewonder ik de lantaarn van de middelste koepel. Bovenop staat Flora, de  godin van de lente en de bloemen met twee gevleugelde kinderen aan haar voeten.

Even later staat er een andere man tegenover mij. Hij draagt een glimmend, antracietkleurig pak en hij kijkt me streng aan.

 ‘Hóe komt u aan deze koffie?’

Hij pakt het zilveren dienblad op en volgt mij met zijn argwanende blik.

‘Deze gebruiken we al in geen eeuwen meer.’

‘Van uw collega heb ik koffie gekregen.’

‘Mevrouw, ik heb geen collega, ik ben hier alleen. Probeert u mij iets wijs te maken?’

Het koffiekopje heb ik nog steeds in mijn hand en ik stel mij voor dat hij het zometeen uit mijn hand rukt.

Ik sta als aan de grond genageld. Waar is die goedaardige man toch gebleven?

‘Dit gaat zomaar niet mevrouw. U moet deze koffie betalen.’

‘Meneer, ik heb deze koffie echt van uw collega gekregen. En ik heb helemaal geen geld bij me.’

‘Mevrouw, ik wil uw adresgegevens en vandaag  komt u de koffie afrekenen.’

Dezelfde middag kom ik  terug om de rekening te voldoen. Inmiddels staan er op het bordes tafels, stoelen en parasols. De man in het antracietgrijze pak is in gesprek met een van de gasten. Zijn ogen zijn af en aan op mij gericht.

Ik wijs naar binnen en loop naar de bar.

Terwijl ik een briefje van vijf euro op een schoteltje leg, kijk ik op. Ik zie een schilderij aan de muur hangen met een tafereel uit de negentiende eeuw.  Ik kijk nog een keer en ik kijk nog een keer. Op het schilderij staat een man met lichtgolvend haar en een wit gesteven overhemd.  Het is alsof hij mij een knipoog geeft.

Foto’s: Marjolein Verweij

Dit verhaal staat ook op FB Oud-Driebergen-Rijsenburg d.d. 22 december 2020

Categorieën
Uncategorized

WAKE-UPCALL

Ik heb de beslissing genóóóóóóómen. Ik zet er een púnt achter. Het is klaar en het is móóóói geweest na vierendertig jaar als loonslaaf.’

Mijn man kijkt mij met opgetrokken wenkbrauwen aan terwijl neef M. uit Eindhoven met dubbele tong verder lalt over zijn keuze om gebruik te maken van de vrijwillige vertrekregeling die zijn werkgever biedt.

Vijf minuten geleden doofde ik de kaarsen, deed ik de deur op het nachtslot en zette ik de kattenmanden in de keuken. Klaar om naar bed te gaan. Toen ging de telefoon en die sprong automatisch op de speakerstand. Ik kan dus meegenieten van dit late gesprek.

‘Het werk kan ik ondertussen met twee vingers in mijn neus doen en die koppen op kantoor kan ik niet meer zien, weet je. Wacht effe, ik pak nog wat ijsklontjes voor mijn béste vrind.’

Waar heeft die man het over? We horen klokkende geluiden en het getingel van ijsklontjes tegen zijn glas.

‘Je beste vriend?’

‘Jaaaaaa, dat is Jan de Stapper.’

Het kwartje valt: Johnnie Walker.

‘Financieel kan ik het wel lijden, ik heb kind nog kraai en daarom heb ik de beslissing genóóóóóóómen door op de knop te drukken van de vrijwillige vertrekregeling.’

Oh, daar gaat ie weer.

Mijn gedachten dwalen af naar de groepsapp uit de buurt. Een buurvrouw ergerde zich aan het gezeur en gezever in de groepsapp. Ze stuurde een foto van zichzelf, met lodderige ogen en haar middelvinger omhoog. Het glas dat halfleeg naast haar stond, was nog net zichtbaar. Ai, koning alcohol doet rare dingen met je. De buurvrouw heeft inmiddels de groepsapp verlaten.

Zelf drink ik ook graag een glaasje limonade zoals ik witte wijn liefkozend noem. Een keer hing ik met een vriendin aan de lijn toen ik totaal onbekommerd een derde glas tot mij nam. Ik sprak op een slepende toon en zij werd kortaf.

Nu bewaak ik mijn grenzen met ijzeren hand en sta ik ’s ochtends fris en fruitig op.

Neef M. begint voor de zesde keer over zijn beslissing. Ik kijk mijn man aan. Tegelijkertijd geven we elkaar een knipoog.

‘Zo jongens de bodem is in zicht, ik ga jullie hangen. Houdoe hè.’

Foto: Teunis Smit, Wine&Spirits Driebergen

Categorieën
Uncategorized

DAAR BEN IK WEER

‘Meneer Slivovitsj, meneer Slivovitsj?’, klinkt het door de wachtruimte van de radiologieafdeling.

Iedereen in de wachtruimte kijkt elkaar kort aan. De man op zijn geruite pantoffels, de vrouw met het slangetje in haar neus en mijn man, in een rolstoel. (De rolstoel is tijdelijk) Hij heeft zijn jas over zijn benen geslagen, want hij heeft het ijskoud. Er moet weer een CT-scan van zijn hoofd worden gemaakt. Meneer Slivovitsj is zoek. De vrouw met het slangetje in haar neus is nu aan de beurt.

Mijn man wordt opgehaald door een verpleegster met een lange paardenstaart. Bij iedere beweging zwiept haar staart op en neer.

Door de lange gang komt een man met een woeste zwarte baard aangelopen. ‘Hallo, daar ben ik weer’, grijnst hij. Ik moest héél nodig naar de plee. ‘Ah meneer Slivovitsj, komt u maar mee’, zegt een verpleegkundige op spierwitte klompen.

Mijn man komt vlot weer terug. Het maken van scans gaat hier aan de lopende band.

Klunzig keer ik de rolstoel en vervolgens verlaten wij de radiologieafdeling. Corona dwingt ons om een andere route te nemen dan op de heenweg.

In de centrale hal word ik overweldigd door pianoklanken. De muziek wordt versterkt in deze hal. Er zit een vijfenzeventigplusser gekleed in grijze pantalon en donkerblauwe blazer achter de piano. Zijn vingers glijden vliegensvlug over de toetsen. Hij speelt of zijn leven ervan af hangt.

Mijn man zingt zachtjes met het lied mee.

‘We’ll meet again

Don’t know where

Do’nt know when

But I know we’ll meet again som sunny day.’

Het lied komt bij me binnen. Ik voel me warm worden en ik dring mijn tranen terug. Wanneer we de bejaarde pianist passeren, draai ik me om en steek ik mijn duim omhoog.

Hij lacht me bemoedigend toe.

Ik vraag me af voor wie hij dit lied speelt. Zou hij dit lied spelen voor zijn vrouw die onder narcose is? Of ligt ze in coma? Ik hoop zo dat ze binnenkort tegen hem zegt: ‘Hallo, daar ben ik weer!’

Categorieën
Uncategorized

BORSTENBUS

‘Houd uw hoofd opzij. En pak met een hand uw andere borst vast’, zegt de vrouw in de witte jas met haar zachte Limburgs accent. Over haar witte jas draagt ze een witte jurk zonder mouwen, van een stevig materiaal, die reikt tot aan haar enkels. Dit allemaal om Covid-19 te weren. ‘Ik doe mee aan Phantom of the Opera’, grapt ze.

Dit speelt zich af in de grote witte borstenbus achter het parkeerterrein van sportclub Hoenderdaal in Driebergen. Syl en ik hebben toevallig rond hetzelfde tijdstip een afspraak. Dat vind ik fijn, want door het zien van die bus trek ik al wit weg. Syl kan babbelen over wat ze een kwartier van tevoren bij de drogist heeft gekocht en dat kalmeert me. Het maken van röntgenfoto’s van je borsten doet bij mij helse pijn en al het verdriet om mijn vriendin Hester komt naar boven.

Alleen is Syl in geen velden of wegen te bekennen.

Mijn linkerborst rust op een glazen plaat. Nu komt er van bovenaf een verticaal geplaatste glazen plaat die over vijf seconden mijn linkerborst fijn gaat pletten. De borstenguillotine. Ik voel een steen in mijn maag. Niet piepen Siem, niet piepen, zeg ik tegen mezelf. Ik moet de moed erin houden. Ik mag blij zijn dat ik hier ben. Hier kunnen ze een gezwel vroegtijdig opsporen en hoe sneller het wordt behandeld hoe minder kans ik heb op uitzaaiingen.

‘Adem in en houd uw adem vast.’

‘Zo, dit was de derde foto, nog eentje en dan zit het er voor u op.’

Ondanks de kalmerende stem van de vrouw prikken er tranen in mijn ogen.

‘U vindt het spannend hè mevrouw?’

Ik heb het gevoel dat mijn keel wordt dichtgeknepen.

Ik breek, de tranen rollen over mijn wangen. ‘Mijn vriendin Hester is aan borstkanker overleden. Samen hebben we nog een prachtig blond haarstuk voor haar gekocht. Ze heeft het slechts vijf weken gedragen.’

‘Wat verdrietig voor u.’ Haar donkerbruine ogen zijn op mij gevestigd.

‘Bent u klaar voor de laatste foto? Een stapje naar voren, kijkt u mij aan, kin omhoog, daar uw hand leggen en zo blijven staan.’

Deze Limburgse lieverd loodst me erdoorheen.

Over tien dagen krijg ik de uitslag.

Op het parkeerterrein bel ik meteen Sylvia. De telefoon gaat lang over. Eerst hoor ik een verscheurende hoest: ‘Hi Siem, ik lig te bed met Covid-19. Ik kon helaas niet komen naar de tietenpletterij.’

Categorieën
Uncategorized

VERLOREN

‘Oh nee, oh nee, ik verlies mijn oorbel’, kermt de dame in haar geruite regenjas met dito hoedje.

Ze kijkt me ontsteld aan en grijpt naar haar oor. ‘Hij is weg.

We staan op De Traay, de winkelstraat in Driebergen, pal voor bloemenzaak Elenbaas. Ik ben onderweg naar De Huiskamer: koffie drinken en de kranten doorspitten. Dat pakt nu anders uit.

‘Ik heb net een herfstboeket besteld en hier buiten doe ik mijn mondkapje af en toen gebeurde het’, vertelt de dame.

Ze praat tegen me en ze kijkt tegelijkertijd hoopvol naar de stoep of haar oorbel daar ligt.

‘Mevrouw, ik help u mee zoeken.’

Ze toont mij haar andere oorbel die nog in haar oor hangt. Ik zie een smalle geelgouden oorring bewerkt met ribbels. Terwijl wij de stenen afspeuren, laat ze me haar vinger zien met een ring van hetzelfde motief. Een verfijnd driemanschap dat nu incompleet is.

‘Deze ring en de oorbellen heb ik geërfd van mijn moeder en ik heb ze aan mijn dochter beloofd voor als ik er niet meer ben.’

De stoep ligt bezaaid met eikels. Twee heren, de een trekt een boodschappentrolley achter zich aan, helpen mee met zoeken. Anderen komen informeren wat er allemaal aan de hand is. Nog een vrouw biedt aan te zoeken.

De dame doet haar jas uit. Iedereen kijkt verwachtingsvol of de oorring daar uit rolt. Helaas. Een van de heren zet een plant op zijn kop en schudt die uit.

Teunis, de slijter aan de overkant, staat in de deuropening te koekeloeren naar wat er zich aan de overkant afspeelt.

‘Mevrouw, we blijven zoeken, desnoods tot de zon ondergaat’, grap ik. ‘Tussen al die eikels moet die liggen.’

Aan de ene kant geeft het me een goed gevoel om te helpen met zoeken en aan de andere kant hunker ik ondertussen naar koffie en de krant.

Jan-Willem de bloemist reikt bezems, een stoffer en blik, en een emmer aan. Zijn plan is dat wij alle eikels opvegen en in de emmer doen. De dame kan dan de inhoud van de emmer thuis op een krant uitstrooien.

Ik slaak een gil. ‘Het achterkantje, ik heb het achterkantje gevonden.’

De eigenaresse glimlacht.

Ondertussen kan ik geen eikel meer zien. Toch zoeken we met vijf man sterk verder. Zo te zien staat haar het huilen nader dan het lachen. Een koude bries steekt op. De dame trekt haar geruite hoedje stevig over haar hoofd en de oorbel duikelt plots naar beneden.

De koffie heb ik verdiend.

Categorieën
Uncategorized

PAPPA

De zweetdruppels voel ik kriebelen in mijn nek. Voorzichtig schuif ik een lilakleurige parasol uit op het terras aan de Kempenaerstraat in Oegstgeest. Ik nestel me op de bontgekleurde kussens op het houten bankje. Van de hitte voel ik mijn zonnebril langzaam van mijn neus afglijden.

Over een minuut of twintig verwacht ik Syl en dan gaan we hier samen lunchen. Expres ben ik eerder om mensen te spotten en om op adem te komen. Ik bestel alvast een gezond sapje: een crazy carrot. Naast wortel, zit er appel, limoen en gember in.

Er komen twee dames aangefietst. Een van hen draagt een groene jurk met witte stippen en fietst op een elektrische bakfiets. Op de houten bak staat de naam Babboe city. Er zit een peuter in met een blonde kuif en een zonnebril op. Een van de serveersters snelt meteen naar hen toe met een kinderstoel. De moeder wurmt haar zoontje, van ik schat anderhalf jaar oud, in de stoel. De dames zijn vast kind aan huis hier. Het knulletje draagt Golden Goose sneakers. Ik herken ze, want ik heb precies dezelfde, maar dan een paar maten groter. De moeder pakt haar tas uit, er komt een drinkbeker en een knijpflesje uit.

De hummel gooit zijn zonnebril op de grond en speurt met zijn heldere blauwe kijkers het terras af. Ik lach hem toe en ik hef mijn wijsvinger omhoog.

‘Pappa?‘, kraait hij verwonderd. Ik hoor ook hoop doorklinken: ‘pappa, ben jij het?’ Moeders veert overeind en kijkt om zich heen. Alsof ze meent dat haar man op een dinsdagmiddag in deze winkelstraat rondstapt. Nog een keer tuurt ze, van links naar rechts en weer terug.

Ze aait haar kleine man over zijn bolletje, ‘pappa is er niet hoor, pappa is centjes aan het verdienen.’ De kleine kijkt haar niet begrijpend aan.

‘Hoe komt Basje daar toch bij?’, mompelt ze tegen haar vriendin.

Ik knipoog naar Basje en ik besluit zijn moeder niet in te lichten waarom Basje mij voor zijn vader aanziet.