Categorieën
Uncategorized

PEPER

‘Cathelijne, krijg nou wat joh. Wat doe jij hier?’

Met mijn rammelende fietstas vol lege wijnflessen kom ik net op tijd aan bij de Lidl om een gesprek tussen twee blondines op te vangen.

 Ik stal mijn fiets voor de glasbak en ik spits mijn oren om te horen waar ze het over hebben. De ene zet grote ogen op en de andere wrikt met samengeperste lippen haar fiets uit het fietsenrek.

 Cathelijne, een slanke vrouw schudt haar blonde lokken en hangt twee Albert Heijn-tassen met boodschappen aan het stuur van haar fiets.

‘Ik kocht hier wat spulletjes en deze bloemen’, zegt ze met een zuinig mondje. Demonstratief steekt ze haar hand omhoog waarin ze een bos gele tulpen omklemt. Met haar andere hand heeft ze haar fiets vast. Het is een rood retromodel met een spierwit zadel.

‘Ik kom jou anders alleen maar tegen bij de Appie,’ reageert de vrouw die het gesprek begon.

 Van dit gesprek wil ik niets missen. Opzettelijk traag gooi ik mijn wijnflessen in de glasbak. Eén voor één, Simone. Iedere fles houd ik omhoog om te checken of deze groen of bruin is.

Cathelijne kijkt wat gepikeerd. ‘Lucy, de tijden van de Appie zijn voorbij’.  

‘Oh, waarom?’ Lucy oogt als een vrouw van niet lullen maar poetsen. Een fris make-uploos gezicht en een kortgeknipt blondgrijs kapsel.

‘Stef zegt dat we moeten bezuinigen.’

Hoor ik nou een snik in haar stem? Of verbeeld ik me dat? Nee hoor, er rolt een traan over haar wang.

Lucy haalt uit de zak van haar lichtroze windjack een verfrommelde zakdoek en reikt hem Cathelijne aan.

‘Stef krijgt een loonsvermindering van wel meer dan vijftien procent. Niks geen jaarlijkse salarisverhoging, winstdeling, dertiende maand. Niet eens vakantiegeld. En dat allemaal door de corona.’

‘Je mag anders blij zijn dat Stef zijn baan nog heeft.’ Lucy klinkt streng terwijl ze dit zegt.

En ondertussen deponeer ik zo voorzichtig mogelijk mijn lege flessen in het ronde gat om maar niks te missen. Quasi geïnteresseerd bestuur ik een wijnetiket en ik mompel ‘deze pinot noir smaakte verrukkelijk.’

Cathelijne zucht diep. ‘Ik moest een lijstje van hem maken. Opschrijven waar ik op kan bezuinigen. Minder kleren en geen pouilly fumé of sancerre meer, maar de slobberwijn van de Lidl.’

‘ Tjongejonge. Ze hebben hier prima wijn hoor’, sist Lucy.

‘Bij de kaasboer kocht ik altijd schapenkaas met pepertjes erin. Het was een gouden duo met de sancerre. Maar dat mag niet meer van Stef,’ zucht Cathelijne. ‘Veel te prijzig’, zegt ie.

Weet je wat ik vind?’ Lucy zet haar beide handen in haar zij.

Ik zet mijn oren op scherp voor het antwoord. Ik sta nu ineengeklemd tussen twee PMD-containers en ik tuur zogenaamd naar de voorbijzeilende  wolken.

 ‘Je mag je wel eens wat minder aanstellen Cathelijne. Je koopt maar een stuk jongebelegen hier bij de Lidl en een pot peperkorrels en je perst die pepers er zelf maar in. En de laatste korrel is dan voor wat meer peper in je reet. Wat denk jij dame?’

Lucy’s hoofd wendt zich plotsklaps in mijn richting. Ik voel me betrapt. Ze lacht me breeduit toe. Ik voel mijn hoofd vuur- en vuurrood worden.

‘Euh,’ stamel ik, ‘de pinot noir is hier verrukkelijk.’

Categorieën
Uncategorized

MIJN MAN MOET GEEN CORONA KRIJGEN, deel 2

Koop een saturatiemeter. Die meet het zuurstofgehalte in het bloed. Als de waarde tussen 95 en 100 is, dan is het goed. Is de waarde onder de 90 dan moet je de huisartsenpost bellen.’ Ik heb onze huisarts aan de telefoon. Langzaam schuift er een wolk voor de zon.

In de beginperiode van onze Corona (we kregen het beiden) fietste mijn man er aardig doorheen. Maar na een paar dagen waggelde hij van zijn bed naar de bank om daar de rest van de dag op te blijven liggen. Doodop.

Behalve de saturatie meet ik ook op advies van de huisarts zijn ademfrequentie en de temperatuur. Mijn man ligt op apegapen. Hij trekt het dekbed strak tot onder zijn kin. Hij luistert mee met het telefoongesprek, maar zijn ogen vallen dicht.

‘Zorg ervoor dat hij voldoende drinkt’, zegt de arts. Ik praat terug met een hoge stem. En er zit een brok in mijn keel.

‘Siem wil je Janneke nog een keer opwarmen?’ Ik neem het kersenpitkussen van mijn man aan en stop zijn bedvriendin voor de tigste keer in de magnetron.

Buiten zet de overbuurvrouw twee volle tassen met boodschappen tegen onze keukendeur en gaat er als een haas vandoor. Ik hoest nog steeds als een zeehond. Behalve de boodschappen ligt er een veldboeket op de tassen. Ik schiet vol. Zo’n beetje iedere dag krijgen we bloemen. Van mijn schoonzus met een kaart erbij: Een beetje vrolijkheid in huis. Hou de moed erin, het is eindig lieverds. Weer komen de waterlanders. Ik kijk naar mijn man. Hij heeft een bleek gezicht met grijze baardstoppels. Ik houd mijn hart vast. Even opent hij zijn ogen en zegt: ‘Siem ik kom erdoorheen’.

 Het wordt mijn mantra: ‘Siem ik kom erdoorheen.’

Op het scherm van de saturatiemeter lees ik 83 en twee seconden later is het 87. Eigenlijk moet ik de huisartsenpost bellen. ‘Over een half uur meten we weer Siem. Geen paniek alsjeblieft.’

Ik loop door het huis en zie mezelf weerspiegeld in een ruit. Ik schrik van mijn ingevallen gezicht en de kringen onder mijn ogen. Hij roept me. Ik schud zijn kussen op, ondersteun zijn achterhoofd en laat hem kleine slokjes drinken. De saturatie meten we weer op. Ik haal diep adem. Het is 90.

Tien dagen later. Gelukkig mag ik uit de quarantaine. Ik sta op de groenteafdeling van Albert Heijn. In mijn ene hand houd ik een knoflookbol vast en in mijn andere hand een rode peper. Ik voel me duizelig worden. Stiekem schuif ik mijn mondkapje opzij, zodat ik meer zuurstof binnenkrijg. Langzaam loop ik terug naar huis.

Thuis zit mijn man met een glimlach op de bank. ‘Ik voel me gesloopt, maar als ik dit apparaatje geloof dan komt het goed.’

Trots laat hij de saturatiemeter zien: 99.

Categorieën
Uncategorized

MIJN MAN MOET GEEN CORONA KRIJGEN deel1

‘Wilt u de wattenstaaf in uw linkerneusgat of in uw rechter?’

‘Links graag.’ Ondertussen sta ik te zwabberen op mijn benen.

De wattenstaaf voel ik aan de rechterkant. ‘Dit is links’ en ik hef mijn linkerhand omhoog.  De GGD-medewerker in zijn smurfblauwe plastic pak haalt het wattenstaafje weer uit mijn neus.

‘Mevrouw, uw rechterkant is mijn linkerkant.’ Ik kijk naar hem. Zijn ogen zijn zachtblauw van kleur en matchen met het mondkapje. Daaroverheen draagt hij nog een face-shield.

Ik sta in het cultureel centrum dat dienst doet als GGD-testlocatie. Als ik ademhaal voelt het alsof een klauw mijn longen vastgrijpt.  Ik heb 39 graden koorts en ik voel me duizelig. Af en toe krijg ik koude rillingen. Ik heb spierpijn in mijn benen en ik heb zo’n keelpijn alsof iemand met een scheermes aan de binnenkant er langs is geweest. Ik blijf mevrouw eigenwijs die, ziek of niet,  een discussie aangaat over links en rechts.

Vanwege de kans op Corona leven mijn man en ik intussen gescheiden van elkaar, voor zover dat mogelijk is onder één dak. Hij beneden en ik boven. Af en toe zwaaien we via het trapgat naar elkaar. Hij in z’n joggingpak en ik in mijn badjas. De testuitslag is online te bekijken. En inderdaad: ik ben positief getest. Mijn man moet ook getest worden. Ik doe schietgebedjes: ‘als ik hem maar niet heb aangestoken.’

Al een jaar lang zeg ik dagelijks: ‘mijn man moet geen Corona krijgen.’ Behalve dat hij de liefste man van de Utrechtse heuvelrug is, heeft hij twee keer kanker en een hartaanval gehad. Al maanden vrees ik Corona op te lopen. Ik overleef het wel, maar hij? Zijn gezondheid is broos. De afgelopen tien jaar balanceerden zijn kinderen, zijn zus, onze vrienden en ik tussen hoop en vrees. Als hij flink verkouden is, zie je zijn lijf al knokken.

Twee dagen later hoest ik nog steeds de longen uit mijn lijf als mijn mobiel afgaat. Het is mijn man die vanuit de huiskamer belt. Hij zegt één woord: ‘positief’.

‘Wát? Oh nee? Niet ook jij. Hoe voel je je schat?’

‘Een beetje slap in de benen en ik voel me futloos.’

‘Ja en verder?’

‘Verder niks.’

‘Verder niks?’

‘Nee, verder niks.’

‘Siem, heb vertrouwen. Linksom of rechtsom, het komt goed. Goed met ons beiden.’

Wordt vervolgd.

Categorieën
Uncategorized

nemoal

‘Mag ik van u drie walnotenkoeken en drie gemberkoeken?’ Voor mij staat een man in een strak donkerblauw pak.  ‘Vandaag trakteer ik de dames op kantoor.’

Ik wacht op mijn beurt voor de toonbank bij onze plaatselijke bakkerij . Mijn ogen schieten heen en weer van koeken naar de taartjes en het gebak.  Behalve slagroompunten met een stukje ananas en een chocolaatje er bovenop liggen hier bananensoezen, chipolatagebak,tompouces, Schwarzwalderkirschgebak en skigebak. De koeken hebben een naam zoals een spoorpunt, appelgabber en kersenkleuter.

De verkoopmedewerkster vertrekt geen spier. ‘Anders nog iets meneer?’  Ze heeft een rode blos op haar frisse, bolle toet.

De zakenman wijst naar de appelgabbers. ‘Daar wil ik er graag vier van en van die wil ik er twee.’ Nu wijst hij naar de kersenkleuters. Die namen krijgt hij blijkbaar zijn mond niet uit.

‘Anders nog iets?’

Ik zucht zo stil mogelijk. Het schiet hier voor geen meter op en ik heb haast.

‘Een half sesam volkoren alstublieft.’

‘Dik of normaôl?’

‘Pardon?’

‘Dik of nemoal gesneden?’

Bij mij borrelt een binnenpretje omhoog. Ik kan er echt niets aan doen, ik voel mijn linkermondhoek omhoog krullen en ik schiet in de lach. Deze vrouw spreekt altijd het woord normaal uit met een accent of ze van het platteland komt.  Ze haalt haar neus op en werpt mij een blik toe alsof ze me nooit meer wil zien.

 De trakterende zakenman schraapt zijn keel.

‘Graag normaal alstublieft.’ Hij balanceert van zijn tenen naar zijn hakken en weer terug. En dan vertrekt hij met volle handen richting kassa.

Mooi, ik ben aan de beurt. ‘Mag ik van u twee saucijzenbroodjes, een mueslibol en een kaasstengel?’ ‘En, ratel ik er direct achteraan, ‘mag ik alvast voor vrijdag een half casino wit bestellen?’ ‘Normaal gesneden graag’, vraag ik vlug. Ik reken alles af inclusief het half casino, zodat ik vrijdag snel klaar ben met alleen het brood  ophalen.

Op vrijdag stal ik mijn fiets voor de etalage. Uit mijn ooghoek zie ik verkoopster nemoal achter de toonbank staan.

Ik open de deur en stap naar binnen. Op dat moment gooit verkoopster nemoal iets mijn kant op. Een half casino wit belandt vlak voor mijn voeten.

M’n mond valt open. Wat doet ze nu?

‘Oh sorry. Sorry,sorry,sorry. Ik dacht u vangt het wel’

Ik sta als aan de grond genageld en ik weet niets uit te brengen.

Voordat ik de winkel uitstap mompel ik: ‘doe eens normaal joh.’

Onmiddellijk kaatst ze de bal terug: ‘ik doe toch nemoal.’

Categorieën
Uncategorized

KAPOTJE

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is KAPOTJE-1024x768.jpg

                                                                             

 ‘Alstublieft, uw kamersleutel.’

Het is namiddag in Bangkok. Met mijn KLM-collega’s sta ik na een vlucht van meer dan elf uur bij de receptie van ons hotel. In Nederland is het 9.00 uur en beginnen de meeste mensen frisgewassen aan hun werkdag. Vanwege de Covid-19maatregelen heeft KLM-crew in Bangkok een verplichte hotelkamerquarantaine.

De receptioniste draagt een perzikkleurige sarong en heeft een echte orchidee in haar haar. Ze verdeelt de kamersleutels onder alle collega’s. Ieder bemanningslid ontvangt een elektronische sleutel die één keer werkt. Je kunt niet zomaar overwippen naar een andere kamer.

Het setje uit onze crew is voor mij aan de beurt. Zij heeft haar blonde haar in een strakke paardenstaart. Aan haar is niet te zien dat ze een duty van meer dan twaalf uur erop heeft zitten. Hij, een bonk van een kerel, heeft een blik alsof hij ieder moment het uniform van haar lijf wil trekken.

De Thaise schone overhandigt hen beiden een afzonderlijke sleutel.

‘Eén sleutel is voor ons voldoende’, zegt de blonde staart.

‘I am sorry’, klinkt in het in Thais Engels. ‘Omdat alle bemanningsleden verplicht in quarantaine moeten, moet iedere collega op zijn eigen kamer verblijven. ’ Nu doet de bonk een duit in het zakje. ‘Wij zijn man en vrouw en willen graag op één kamer’.

‘ No can do, alleen als u uw trouwboekje laat zien maken we een uitzondering.’

Ai, hier is geen speld tussen te krijgen en met neerhangende mondhoeken druipt het stel af.

Na drie uur slaap videobel ik met mijn man. Ik vertel hem het verhaal van het setje en de kamerquarantaine. Ik zit in m’n roze nachthemd aan het bureau met een dampende kop thee voor me. Mijn man zit met een ongeschoren kop in z’n schipperstrui met een mok koffie in zijn hand.

‘Schat, ik zit hier nog 19 uur vast op mijn kamer’. Ik richt de camera van mijn mobiel via het raam naar de buitenwereld. Vanuit het groen staart er een stenen Boeddha met een opgeheven hand naar mijn man. ‘Bij Boeddha  is het dertig graden en hier blaast de airco in mijn nek.’

‘Simone’, spreekt mijn man me toe. ‘Maak er het beste van.’

Na ons telefoongesprek open ik de kledingkast. Fijn, er hangt hier een witte katoenen badjas met  wafeltjespatroon. Ik trek een lade open. Haha, wat ligt hier? Een pakje Durex. For sale.

Gauw maak ik een foto voor de groepsapp van onze crew. ‘Hoe is het met jullie? Ik verveel me kapotje.’

Categorieën
Uncategorized

VINGERKNIP

 Dwars door de mondkapjes heen kan ik het goed verstaan: ‘Dat meen je niet Suus. Deed hij dat echt? Nou, dat moet bij mij niemand  flikken. Dan ben ik meteen pleite. Bij zo iemand blijf je toch niet?’

De vrouw in de lichtblauwe regenjas kijkt de ander met donkere ogen aan.

Ik zit in een trein die nu al een minuut of acht stilstaat op station Driebergen-Zeist terwijl ik naar Utrecht wil. Ik kijk naar de regendruppels op de ruiten en ondertussen luister ik een gesprek af.

Op het bankje schuin tegenover mij nemen de twee vrouwen de relatie van de een door. Suus heeft strak gestylde wenkbrauwen in de vorm van het Nike-logo en ratelt maar door over de vader van haar kinderen.

‘Ik pik het ook niet langer’, zegt  Suus. ‘Hij werkt , nu in de coronaperiode, de godganse dag aan de eettafel. De kinderen moeten stil zijn, omdat meneer werkt en zich moet concentreren, zegt ie. Dat spreekt hij ook echt zo uit, con-cen-tre-ren.’

 Er ploft een vrolijke blonde krullenbol tegenover mij neer, type Jochem Myjer. Hij heeft de trein weten te halen, omdat we vertraging hebben, gok ik zomaar. De geluksvogel. Die Suus met haar strakke wenkbrauwen loert uit haar ooghoeken naar Jochem en ze vervolgt haar verhaal tegen de lichtblauwe regenjas. Jochem zit er meteen in en kijkt me verbaasd aan. Ik tuur maar weer naar buiten. In het weiland staat een eenzame zwarte schuur van vermolmd hout.

De lichtblauwe regenjas luistert hoofdschuddend naar haar vriendin Suus.

‘Als hij een telefoongesprek voert en de kinderen maken kabaal, dan gaat ie staan en gebaart in mijn richting en begint met z’n vingers te knippen. Kijk zo, klik, klik, klik. Aan de ene hand zijn telefoon en met de andere hand klik, klik, klik’.

Jochem geeft me een knipoog en ik voel dat ik bloos. In gedachten  ben ik bij mijn vader. In restaurants knipte hij altijd met zijn vingers om de ober te wenken. Mijn zusje en ik schaamden onze ogen uit de kop.

 ‘Ik zou het wel weten’,  zegt de lichtblauwe regenjas. ‘Dit betekent niet veel goeds. Ik zou m’n kinderen oppakken en linea recta naar m’n moeder gaan. Dit pik je toch niet langer? Waarom vraag je niet of hij boven gaat werken Suus?’

‘Dat weigert ie’, zegt ze met een verdrietige blik. ‘Ach ja, we zitten in een dip, maar ik heb natuurlijk ook wel hele leuke tijden meegemaakt. Ik mag met hem mee naar uitjes van zijn werk: rode-loper-events, diners, rondleidingen en concerten. Dan kan ik me optutten en m’n glitterjurk aantrekken. Vorig jaar zijn we nog met zijn hele bedrijf in Parijs geweest. We logeerden in zo’n boetiekhotel.’

Terwijl ze dit vertelt, straalt ze. Jochem en ik kijken elkaar even aan. We weten beiden dat ze blijft bij de heer vingerknip. De trein komt in beweging en het mechanische geratel overstemt al snel het gemompel vanachter de mondkapjes. Jochem is intussen verdiept in zijn mobieltje. Ik zak weg in een droom waarin ik in een lichtgroene jurk met lovertjes aan de arm van Jochem over de rode loper schrijd.

Categorieën
Uncategorized

DEZE VAN GOGH IS VAN MIJ

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is LR-LR-Vincent-893x1024.jpg

‘Iedere dag vinden we etensresten. Van boerenkool tot stukjes witbrood. Ja, lacht u maar, wij kunnen het opruimen. En dat iedere dag. Straks komt er nog ongedierte’.

‘Het spijt me’, zeg ik tegen José, een van de verzorgsters van Beukenstein. Zelf heb ik het één keer gezien. Ik kwam binnen op de kamer van oom Jo. Hij duwde net  een lepel met gele vla tegen het fotolijstje van tante Mietje aan. ‘Hapje voor Mietje, toe dan, mondje open.’

 Wat moet ik doen? Zeggen dat tante Mietje al een tijdje geleden is gaan hemelen?  

Vandaag komt oom Jo bij ons een borreltje drinken. Via Park Seminarie gaan we door het bos naar ons huis. Hij heeft een borstelsnor die door zijn leeftijd wit is geworden, net als zijn haardos. Hij draagt nog altijd zijn jagersjas en z’n hoed met een veertje erop.  Oom Jo snelt voort in zijn elektrische rolstoel. Ik  kan hem nauwelijks bijbenen. Waarschijnlijk verheugt hij zich op z’n favoriete drankje, de kopstoot.

Plotseling draait hij de rolstoel richting de Hoofdstraat. ‘Oh, ik moet nog even terug naar de zaak en wat telefoontjes plegen.’

‘Ome Jo, u bent al wat jaartjes met pensioen.’

‘Echt waar?  Och kind wat vliegt de tijd’.

Inderdaad, schiet door m’n hoofd, zo geeft Oom Jo nog financiële adviezen en zo voert hij eten aan een fotolijstje. Hij wijst naar het halfronde witte flatgebouw. ‘Weet je nog, Mietje noemde dit altijd Paleis Soestdijk’.  Oom Jo kijkt me met een serieuze uitdrukking aan. Daarnet was hij verward en nu is hij helder, realiseer ik me. Hij weet dat tante Mietje er niet meer is.

Even later zijn we er. ‘Kijk eens oom Jo, uw favoriete duo.’ Mijn man heeft voor hem een pilsje en een jonge jenever klaargezet.

‘Wilt u een stukje kaas’?

‘Mmmm, lekker zeg, deze krijgen we in Beukenstein niet.’

‘Dit is Remeker kaas, gemaakt van jerseykoeien.’

Oom Jo stopt met kauwen en prevelt:  ‘is het wel deugdelijk dan?’

Ik haal diep adem, wat moet ik hier nou weer op zeggen.                                                        

‘Mijn hemel, waar heb je die nou gevonden?, en waarom hangt het hier?’, vraagt hij.

 Ik zucht hard. ‘Ome Jo’, begin ik.

Oom Jo rijdt naar de televisie.  Boven onze televisie hangt het Caféterras bij nacht.  ‘Ja hoor, aan de onderkant van de lijst is een stukje af, deze Van Gogh is van mij.’

Bij ons hangt het schilderij net als vroeger bij oom Jo en tante Mietje boven de televisie.  Wanneer ik bij hen logeerde leerde oom Jo ons badmintonnen op de Boswei in Driebergen. Hij haalde mij in zijn zilvergrijze Citroen CX van het station af en als we op de Arnhemse Bovenweg reden en het witte hek passeerden, wist ik:  we zijn er bijna.

 Na het avondeten moest ik mijn mond houden, want oom en tante keken naar het journaal. Ik kon mijn aandacht niet bij het nieuws houden dus droomde ik meestal weg bij de sterrenhemel en de bistrotafeltjes van Van Gogh.

‘Ik ga mijn Van Gogh zo meenemen’, bromt oom Jo.

Mijn man kijkt vanachter de Stichtse Courant naar mij. Ik ken zijn blik. Dit mag ik zelf oplossen. ‘Ome Jo, toen u naar Beukenstein verhuisde, heeft u deze aan mij  gegeven.’

Hij zegt niets.

‘Nou ik weet het goed gemaakt’, zegt mijn man, ‘ we plannen een uitje naar het Kröller Müller museum, daar hangt het origineel.’

 ‘Niks ervan, deze Van Gogh is van mij.’ Hij rijdt naar voren  en ramt vol de glazen televisietafel. Het televisietoestel wankelt heen en weer. Mijn man springt op: ‘Oh nee.’

 Binnen drie grote stappen ben ik bij het schilderij en gris het van de muur. ‘Ome Jo, we nemen het mee naar uw huis.’ Ik douw het schilderij in een vuilniszak en ik doe net alsof ik het schilderij achter zijn stoel bevestig.

Hij drinkt gauw zijn bier en de jenever op en kauwt de kaasblokken weg. Als we Beukenstein naderen is hij het schilderij vergeten. Ik loop via een omweg naar huis. Bij het witte hek aangekomen, omklem ik het met beide handen en sluit mijn ogen. Ik hoop maar dat de goede herinneringen aan oom Jo dit soort ervaringen als vandaag zullen verdringen.

Categorieën
Uncategorized

TERUGGESLINGERD

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is ORANJERIE-HYDEPARK-1024x683.jpg

‘Mevrouw, ik heb hier een glas water voor u. Ik zag dat u struikelde en op het pad viel.’

 Ik voel me een beetje duizelig. Glazig kijk ik hem aan. Ondertussen veeg ik het fijne grind  van mijn handen. De ober heeft lichtgolvend haar en een keurig wit gesteven overhemd. Hij buigt naar me en reikt op een zilveren dienblad een glas water aan.

‘Mevrouw, mag ik u een kop koffie aanbieden?’, vraagt hij met zachte stem.

‘Het spijt me’ en ik wijs op mijn hardloopoutfit,  ‘ik heb helemaal geen geld bij me.’

‘Mevrouw, ik bied het u gaarne aan.’

‘Oh, wat vriendelijk van u, een kop koffie lijkt me heerlijk.’

Ik neem een slok van het lekkerste water ooit.

Langzaam komt het weer in me op, het waar, wanneer en waarom.

Het was nog fris in de vroege morgen en twintig minuten geleden jogde ik over het slingerende schelpenpad van Hydepark in Doorn, aan de grens van Driebergen. Ik kwam uit bij de oranjerie van Hydepark. Daar ben ik nu, voor de eerste keer in mijn leven. De oranjerie lijkt wel een kleine versie van een Frans paleis met imposante zuilen, hoge boogramen en glas-in-loodramen die verwerkt zijn in een koepel.

Op het bordes wacht ik op de koffie. Nergens zie ik stoelen en tafeltjes. Door de vensters van de oranjerie gluur ik naar binnen. Ik zie de ober water opgieten in een filterzakje.

Ik draai me om en geniet van het uitzicht. De ochtendzon weerkaatst in de vijver met zijn hoeken en rondingen. Rond de waterpartij loopt een grindpad.  In het verlengde zie ik een pad met aan beide zijden een heg.  Aan de bovenzijde zijn ze met elkaar verbonden, zodat het een soort tunnel is. Dat heet een berceau, las ik laatst. Het gevoel bekruipt mij dat ik teruggeslingerd ben in de tijd.

‘Alstublieft mevrouw’.

Nu valt het mij op dat de ober boven dat keurige hemd een vlinderstrik draagt. Op een van de twee poeren naast de bordestrap ligt een zilveren dienblad met daarop een wit porseleinen kop en schotel, een zilveren lepeltje en een zilveren melk- en suikerkannetje.  Voor ik de kans krijg deze goedaardige heer te bedanken, is hij uit het zicht verdwenen.

Met het geurende kopje koffie in mijn hand bewonder ik de lantaarn van de middelste koepel. Bovenop staat Flora, de  godin van de lente en de bloemen met twee gevleugelde kinderen aan haar voeten.

Even later staat er een andere man tegenover mij. Hij draagt een glimmend, antracietkleurig pak en hij kijkt me streng aan.

 ‘Hóe komt u aan deze koffie?’

Hij pakt het zilveren dienblad op en volgt mij met zijn argwanende blik.

‘Deze gebruiken we al in geen eeuwen meer.’

‘Van uw collega heb ik koffie gekregen.’

‘Mevrouw, ik heb geen collega, ik ben hier alleen. Probeert u mij iets wijs te maken?’

Het koffiekopje heb ik nog steeds in mijn hand en ik stel mij voor dat hij het zometeen uit mijn hand rukt.

Ik sta als aan de grond genageld. Waar is die goedaardige man toch gebleven?

‘Dit gaat zomaar niet mevrouw. U moet deze koffie betalen.’

‘Meneer, ik heb deze koffie echt van uw collega gekregen. En ik heb helemaal geen geld bij me.’

‘Mevrouw, ik wil uw adresgegevens en vandaag  komt u de koffie afrekenen.’

Dezelfde middag kom ik  terug om de rekening te voldoen. Inmiddels staan er op het bordes tafels, stoelen en parasols. De man in het antracietgrijze pak is in gesprek met een van de gasten. Zijn ogen zijn af en aan op mij gericht.

Ik wijs naar binnen en loop naar de bar.

Terwijl ik een briefje van vijf euro op een schoteltje leg, kijk ik op. Ik zie een schilderij aan de muur hangen met een tafereel uit de negentiende eeuw.  Ik kijk nog een keer en ik kijk nog een keer. Op het schilderij staat een man met lichtgolvend haar en een wit gesteven overhemd.  Het is alsof hij mij een knipoog geeft.

Foto’s: Marjolein Verweij

Dit verhaal staat ook op FB Oud-Driebergen-Rijsenburg d.d. 22 december 2020

Categorieën
Uncategorized

WAKE-UPCALL

Ik heb de beslissing genóóóóóóómen. Ik zet er een púnt achter. Het is klaar en het is móóóói geweest na vierendertig jaar als loonslaaf.’

Mijn man kijkt mij met opgetrokken wenkbrauwen aan terwijl neef M. uit Eindhoven met dubbele tong verder lalt over zijn keuze om gebruik te maken van de vrijwillige vertrekregeling die zijn werkgever biedt.

Vijf minuten geleden doofde ik de kaarsen, deed ik de deur op het nachtslot en zette ik de kattenmanden in de keuken. Klaar om naar bed te gaan. Toen ging de telefoon en die sprong automatisch op de speakerstand. Ik kan dus meegenieten van dit late gesprek.

‘Het werk kan ik ondertussen met twee vingers in mijn neus doen en die koppen op kantoor kan ik niet meer zien, weet je. Wacht effe, ik pak nog wat ijsklontjes voor mijn béste vrind.’

Waar heeft die man het over? We horen klokkende geluiden en het getingel van ijsklontjes tegen zijn glas.

‘Je beste vriend?’

‘Jaaaaaa, dat is Jan de Stapper.’

Het kwartje valt: Johnnie Walker.

‘Financieel kan ik het wel lijden, ik heb kind nog kraai en daarom heb ik de beslissing genóóóóóóómen door op de knop te drukken van de vrijwillige vertrekregeling.’

Oh, daar gaat ie weer.

Mijn gedachten dwalen af naar de groepsapp uit de buurt. Een buurvrouw ergerde zich aan het gezeur en gezever in de groepsapp. Ze stuurde een foto van zichzelf, met lodderige ogen en haar middelvinger omhoog. Het glas dat halfleeg naast haar stond, was nog net zichtbaar. Ai, koning alcohol doet rare dingen met je. De buurvrouw heeft inmiddels de groepsapp verlaten.

Zelf drink ik ook graag een glaasje limonade zoals ik witte wijn liefkozend noem. Een keer hing ik met een vriendin aan de lijn toen ik totaal onbekommerd een derde glas tot mij nam. Ik sprak op een slepende toon en zij werd kortaf.

Nu bewaak ik mijn grenzen met ijzeren hand en sta ik ’s ochtends fris en fruitig op.

Neef M. begint voor de zesde keer over zijn beslissing. Ik kijk mijn man aan. Tegelijkertijd geven we elkaar een knipoog.

‘Zo jongens de bodem is in zicht, ik ga jullie hangen. Houdoe hè.’

Foto: Teunis Smit, Wine&Spirits Driebergen

Categorieën
Uncategorized

DAAR BEN IK WEER

‘Meneer Slivovitsj, meneer Slivovitsj?’, klinkt het door de wachtruimte van de radiologieafdeling.

Iedereen in de wachtruimte kijkt elkaar kort aan. De man op zijn geruite pantoffels, de vrouw met het slangetje in haar neus en mijn man, in een rolstoel. (De rolstoel is tijdelijk) Hij heeft zijn jas over zijn benen geslagen, want hij heeft het ijskoud. Er moet weer een CT-scan van zijn hoofd worden gemaakt. Meneer Slivovitsj is zoek. De vrouw met het slangetje in haar neus is nu aan de beurt.

Mijn man wordt opgehaald door een verpleegster met een lange paardenstaart. Bij iedere beweging zwiept haar staart op en neer.

Door de lange gang komt een man met een woeste zwarte baard aangelopen. ‘Hallo, daar ben ik weer’, grijnst hij. Ik moest héél nodig naar de plee. ‘Ah meneer Slivovitsj, komt u maar mee’, zegt een verpleegkundige op spierwitte klompen.

Mijn man komt vlot weer terug. Het maken van scans gaat hier aan de lopende band.

Klunzig keer ik de rolstoel en vervolgens verlaten wij de radiologieafdeling. Corona dwingt ons om een andere route te nemen dan op de heenweg.

In de centrale hal word ik overweldigd door pianoklanken. De muziek wordt versterkt in deze hal. Er zit een vijfenzeventigplusser gekleed in grijze pantalon en donkerblauwe blazer achter de piano. Zijn vingers glijden vliegensvlug over de toetsen. Hij speelt of zijn leven ervan af hangt.

Mijn man zingt zachtjes met het lied mee.

‘We’ll meet again

Don’t know where

Do’nt know when

But I know we’ll meet again som sunny day.’

Het lied komt bij me binnen. Ik voel me warm worden en ik dring mijn tranen terug. Wanneer we de bejaarde pianist passeren, draai ik me om en steek ik mijn duim omhoog.

Hij lacht me bemoedigend toe.

Ik vraag me af voor wie hij dit lied speelt. Zou hij dit lied spelen voor zijn vrouw die onder narcose is? Of ligt ze in coma? Ik hoop zo dat ze binnenkort tegen hem zegt: ‘Hallo, daar ben ik weer!’