Categorieën
Uncategorized

OERSAAI

foto: Marloes Teseling

Met mijn handen op mijn bovenbenen schuifel ik voetje voor voetje naar de overkant.

Marloes legt een hand op mijn schouder. ‘Deze overtocht was heftig voor je hè?’

Ik knik en slik een brok in mijn keel weg.

Een half uur geleden: Marloes komt me ophalen om samen een boswandeling te maken. Ik sta op de stoep te wachten en er stopt een auto vlak voor me. Ik open het portier en er springt een Vizsla uit. Heeft Marloes een nieuwe hond? Ik sta al met één been in de auto, als ik zie dat het de buurvrouw van twee huizen verder is. Ik krijg een kop als een boei. Twee tellen later komt gelukkig Marloes eraan.

Om bij het bos te komen moeten we de snelweg over via een voetgangersbrug. De voorbijrazende auto’s, vrachtwagens en bestelbussen denderen onder ons. Ik krijg een licht gevoel in mijn benen en ik voel de grond niet meer onder mijn voeten. Zwabberbenen, ik heb het vaker als er te veel prikkels op me afkomen. Mijn hart bonst en ik begin sneller te ademen.

Nadat Marloes me gekalmeerd heeft lopen we verder.

Honderd meter verderop gil ik de longen uit mijn lijf. Vlak voor mij op het pad ligt een gladde bruine slang. Marloes legt de engerd meteen vast op haar camera.

’s Middags heb ik een telefonische afspraak met Marianne, mijn reïntegratiemanager. Marianne lijkt me het type vrouw dat inbrekers wegjaagt met een honkbalknuppel.

‘Marianne, ik heb nu al een jaar Long-Covid en boek weinig vooruitgang. Ik moet me gedeisd houden en dat vind ik oersaai.’

‘Siem, in plaats van oersaai kun je ook een fijn en rustig leven leiden.’

‘Je hebt gelijk’, zucht ik ‘en zó rustig is mijn leven nou ook weer niet. Vandaag joeg een gladjakker in het bos me de stuipen op het lijf.’

Zag je een potloodventer?’

De telefoon glijdt bijna uit mijn handen van het lachen.

Gelukkig kun jij nog lachen’, zegt Marianne nuchter.

‘Het was een slang. Veel enger toch dan een potloodventer?’

Nu lacht Marianne.

‘Misschien, maar oersaai is het in ieder geval niet.

Categorieën
Uncategorized

VERKEERDE BEEN

Foto: Marjolein Verweij

Op het bospad springt een man voor me. ‘Waar is het station?’

Hij heeft een bloederige wond onder een van zijn wenkbrauwen.

Van schrik laat ik mijn waterflesje vallen. Onder mijn arm klem ik mijn blauwe sportmat. De man heeft lang krullend haar dat overgaat in zijn baard. Hij is tegen de twee meter lang en hij draagt een wijde regenjas. Ik wil mijn waterflesje van de grond oppakken. Hij grijpt me bij de mouw van mijn jack en kijkt schichtig om zich heen. Hij laat niet los en vraagt opnieuw: ‘waar is het station?‘ Ik kijk hem aan en zie zijn zachtgroene ogen. Hoe ziet deze catweazle eruit zonder die wond en dat lange haar? Wat is er met deze man gebeurd? Hij houdt een hand tegen zijn jas aan alsof hij daaronder iets vasthoudt en met zijn andere hand draait hij rondjes ten teken dat hij haast heeft. Ik antwoord: ‘alsmaar rechtdoor en aan het einde van het bospad linksaf. ‘Kan ik iets voor u doen?’

Catweazle schudt zijn hoofd. ‘Ik heb iets gezien.’ Hij slaat beide ogen neer, heft zijn hand omhoog en rent het bos in. Even zie ik nog de wapperende panden van zijn jas en een glimp van de geruite binnenkant. Zal ik achter hem aanrennen?

Ik blijf stokstijf staan en in de verte hoor ik mijn trainster tegen de volgende groep roepen: ‘ren om de goal heen.’ Ik ruik een zweetlucht. Is dat nog van hem of ben ik het zelf? Ik neem een slok water en wandel snel de hoek om. De auto’s razen voorbij alsof er niks is gebeurd. Ik hoor banden piepen. Een man op de fiets met over zijn ene hand een geblokte, bebloede theedoek.

Mevrouw, heeft u net een man met een lange baard in een regenjas gezien?’

Ik stap achteruit. Deze zestigplusser heeft samengeperste lippen en kijkt me met priemende ogen aan. Hij heeft aan de zijkanten zilvergrijs haar. Op zijn voorhoofd bungelt eenzaam een zilvergrijs krulletje.

Ik krijg het koud en ik heb geen zin deze man te antwoorden. Heeft catweazle iets bij die gladjakker gezien wat het daglicht niet kan verdragen?

‘Mevrouw, geeft u nog antwoord. Ik moet die man te pakken krijgen.’

Hij houdt zijn wijsvinger op mij gericht. Zijn vinger beweegt bij elk woord dat hij uitspreekt. ‘U moet hem gezien hebben, dat kan niet anders.’

Ik druk mijn sportmat tegen mijn lichaam en haal diep adem.

‘Dat klopt, ik zag inderdaad een man met lang haar en een baard in een regenjas.’

‘Welke kant ging hij op? Ik móet hem vinden.’ Ik aarzel. ‘Hij ging die kant op en ik wijs naar rechts.’

‘Weet u het zeker?’ Hij kijkt me doordringend aan.

‘Ja.’

Hij spurt weg.

Thuis praat ik tegen mezelf in de badkamerspiegel. Voelde het goed om deze zilvergrijze krul op het verkeerde been te zetten? Ik knik.

Categorieën
Uncategorized

NIEUW LEVEN

Google streetview (bewerkt)

Twee dames, met porseleinwitte gezichten en gehuld in dikke winterjassen staan op de stoep ter hoogte van het Griekse restaurant.

Ze turen op hun mobiele telefoon. De zon schijnt en door de wind waaien mijn haren alle kanten op. Ik ben op weg om een kaart op de bus te doen. Naast de dames staan drie tjokvolle boodschappentassen. Bovenop liggen zakken chips.

De felicitatiekaart houd ik tussen duim en wijsvinger goed vast. De dochter van mijn schoonzus heeft een baby gekregen. Een meisje. Ik voel me blij. Zoals ieder kind gaat ook zij haar talenten ontdekken en ontwikkelen. Nieuw leven doet goed.

Op de terugweg passeer ik de dames opnieuw. Ik draai me om en vraag: ‘hi can I help you?’

We need a taxi?’, vraagt de grote blonde in het groene winterjack. De andere dame draagt een zwart doorgestikt jack. Ze heeft een piercing in het kuiltje van haar hals, het lijkt op een briljant.

Ik vraag: ‘where are you from?’ Terwijl ik het vraag komt het antwoord al in mij op. Ze zeggen in koor: ‘from Ukraine.’ De blonde wijst naar haar telefoon. Ze typt wat in en laat het mij lezen: wij verzorgen kinderen oncologie. Ik krijg een brok in mijn keel. Ik haal diep adem en laat mijn emotie niet zien. Ze hebben het vast al moeilijk genoeg.

‘Waar moeten jullie naar toe?’, vraag ik in het Engels. Ze laat het adres in Doorn zien.

‘Geen probleem, ik breng jullie. Ik woon hier om de hoek.’ Ik neem een boodschappentas van ze over en met z’n drieën lopen we naar mijn huis.

‘Nice houses.’

Opeens realiseer ik me dat ik twee wildvreemden mee naar huis neem en straks een lift geef. Zoiets doe ik nooit. Even later zitten de dames op de achterbank.

‘The big wood’, zegt de dame met de piercing.

‘Ah, het Grote Bos.’

Ze knikken instemmend en ze vertellen dat ze met vijf groepen volwassenen en zieke kinderen uit Oekraïne hier zijn. Voor de slagboom van vakantiepark het Grote Bos nemen we afscheid.

Die avond zet ik het journaal aan. Kinderen met kortgeschoren haren komen aan in het Prinses Máxima Centrum in Utrecht. Ik herken de twee vrouwen in hun groene en zwarte winterjas. Nieuw leven, denk ik en ik doe een schietgebedje.

Categorieën
Uncategorized

A-MERK

Ze pakt de hand van haar vriendin vast. ‘Nou Emma, vertel: het werk, het leven en de liefde.’ Bij het laatste woord gaat haar stem omhoog.

‘Oh, Judith, ik kan geen vent meer zien’, verzucht Emma.

Ik zit aan de meterslange leestafel in De Huiskamer aan de Traaij. In het midden staat een alocasia. Hij tikt zowat het plafond aan. Emma en Judith zitten aan de andere kant van de plant. Alle andere tafeltjes zijn bezet. Aan een van de tafeltjes aan het raam zitten drie corpulente dames. Zo te zien twee zussen van zestigplus met hun moeder van in de negentig. Ze snoepen van elkaars taartjes. Halverwege is de kinderhoek. Daar zie ik kinderen over de vloer kruipen en vaders met een laptop voor zich.

De vriendinnen naast me zijn het meest interessant. Ik gluur om de grote groene plantenpot heen. Mijn pen houd ik losjes vast en ik doe alsof ik op woorden probeer te komen. Mijn schrijfblok ligt voor mijn neus. Die Emma lijkt op actrice Georgina Verbaan. Ze heeft ogen die flirten met alles en iedereen, zoals nu met de jonge ober. Haar vriendin Judith heeft rossige krullen die ze in bedwang houdt met een grasgroene haarklem.

‘Ik ontmoet er zoveel, ik kan ze niet meer uit elkaar houden.’

‘Em, komen al die mannen via zo’n datingbureau?’

Het is een datingapp Juut. De één schrijft over wijn drinken bij de open haard en een ander wil een vrouw die net als hij houdt van zeilen en golfen. Laatst had ik afgesproken met ene Frederik en die werkt op de HR-afdeling bij de BAM. In diezelfde tijd kreeg ik ook een appje van een projectmanager met een hele goede kop die óók bij de BAM werkt. Ik dacht: oh jee als ze er maar niet van elkaar achterkomen.’

‘Vertel me over Frederik. Ik zit iedere avond met Remco op de bank. En hij werkt al twee jaar thuis. Iedere ochtend om kwart over elf pakt hij een blikje chocomel uit de koelkast.’

‘Sorry hoor Juut, maar aan zo’n man wil ik niet eens denken. Ik wil leven in de brouwerij.’

Ik ben in gedachten bij mijn eigen ervaringen van meer dan twintig jaar geleden. Toen datete ik via onehello (bestaat niet meer) en had ik tegelijkertijd contact met twee mannen die werkten bij De Wereldomroep (bestaat ook niet meer). Met beide mannen is het nooit wat geworden.

Frederik kwam bij mij koffie drinken. Ik opende de koelkastdeur om melk te pakken. Staat hij ineens achter me. Met zijn hoofd op mijn schouder. Weet je wat hij zei?’

‘Gelukkig, jij bent net als ik van de A-merken.’

‘De A-merken?’ herhaalt Judith verbaasd.

‘Ja, Campina, Becel, Heinz en Spa. Die vent begon helemaal te stralen. Toen zei die ook nog: ‘en ik zie in de koelkastdeur een excellente Gran Cru staan.’

‘Wat een kakker Emma.’

‘Even later roert hij in zijn koffie en zegt-ie glunderend dat we voor elkaar gemaakt zijn. Hij zei: ik durf erom te verwedden dat je dezelfde koffiebonen uit blik koopt als ik.’

‘Wat zei je?’

Ik koop zakken van een kilo bij de Aldi.’

‘Niet waar, en wat zei hij toen?’

‘Hij verslikte zich en proestte zijn koffie over mijn vloerkleed. Meneer Frederik A-merk heb ik daarna nooit meer gezien.’

De vriendinnen lachen.

‘Emma, een vent die deugt en voor je klaar staat, dat is pas een A-merk.’

Categorieën
Uncategorized

STIP

Het touwtje van de heliumballon houd ik stevig vast. Ik voel weer tranen opkomen en vis met mijn andere hand een zakdoek uit mijn broekzak. Ik dacht dat mijn tranen na vanmorgen wel op waren.

Het is kwart voor elf in de ochtend. Mijn huisarts reikt me een tissue aan. ‘Ik wil een sti-i-i-i-i-p aan de horizon’, jammer ik. Tranen lopen over mijn wangen. ‘Het is nu al negen maanden geleden dat ik COVID kreeg. En ik heb nog steeds een trits aan fysieke en mentale klachten.’ Ik som er een paar op: ‘moe, duizelig, kortademig, benauwd, verhoogde hartslag, als ik een sprintje probeer te trekken omdat het regent blokkeert het hele lijf, last van zwabberbenen, snel overprikkeld, ik kan me niet concentreren.’

‘En ik kan nog wel even doorgaan’, blèr ik door mijn tranen heen: ‘iedere ochtend als ik wakker word, heb ik pijn in mijn buik, bij drukte word ik paniekerig, ik zit al maanden thuis, ik mis het vliegen en iedere middag moet ik siësta houden. In de auto schrik ik wanneer er iemand uit een zijstraat schiet, fietsers zie ik over het hoofd en inhalen durf ik niet.’

Over haar leesbril kijkt de huisarts me aan en geeft me nog een tissue. ‘Simone, er is verrekte weinig bekend over Long COVID. Vanmorgen zat hier een vrouw van begin dertig en jullie klachten komen aardig overeen. Alleen heeft zij het al één jaar en negen maanden.’ Ik ben er stil van en knik. Ik zal moeten dealen met haar antwoord.

‘Ik kan je wel pillen voorschrijven om de benauwdheid wat te verlichten.’ Ze rammelt wat op haar toetsenbord. En ik staar naar de rood-blauw gekleurde vissen in het aquarium. Er zwemt daar ook een oranje vis met een zwarte vlek, alsof die een bloeduitstorting op zijn lijfje heeft. De deur gaat open. Er staat een man met een witte ringbaard in de deuropening. ‘Ben ik nou nóg niet aan de beurt? Ik heb een afspraak om elf uur.’ Hij wijst naar zijn horloge. De huisarts veert overeind en bonjourt de witte ringbaard terug de wachtkamer in. Ik lach door mijn tranen heen. ‘Fijn dat je weer een beetje kunt lachen’ zegt ze en ze overhandigt me het recept voor de apotheek.

En nu sta ik in onze achtertuin met de heliumballon tussen mijn vingers geklemd. Het miezert. Drie weken geleden stond de pakketbezorger op de stoep met een vierkante, limoengroene doos. Daarin zat een ballon met de tekst just because you are awesome. Er zat een kaartje aan met alle namen van mijn vliegvrienden van het eerste uur. Dat zijn mijn cursusgenoten uit de KLM-basiscursus uit 1994. Nu is de lucht voor een groot gedeelte uit de ballon. Ik wil niet meemaken dat hij er echt zielig uit gaat zien, dus ik neem de ballon mee naar buiten om deze in de afvalbak te proppen.

Ai, het touwtje glipt door mijn vingers heen en de ballon stijgt omhoog. Ik kijk hem na, hij komt vast wel weer naar beneden of hij blijft steken in de eikenboom. Dat doet hij niet. De ballon gaat verder omhoog richting de buren achter ons. Ik hoop dat hij daar aan een tak blijft steken, want het is verboden om een heliumballon in de lucht op te laten. De ballon gaat hoger en hoger. Hij gaat door een wolk en ik zie alleen nog maar een stip. Ik blijf hem volgen tot ik hem echt niet meer zie. Daar gaat mijn ballon. Een kleine stip aan de horizon.

Categorieën
Uncategorized

VERGETEN

Sanka en Vlek, onze katten, kijken me vragend aan. Alsof ze willen zeggen: waarom ben jij op dit uur nog buiten? Ik haal diep adem. Nog een keer doorzoek ik mijn handtas. Het is pikkedonker en bijna middernacht.

Ik gebruik mijn mobiel als zaklamp en schijn in alle zes vakjes. En ik vraag me hardop af ‘waar zijn mijn huissleutels?’ Opnieuw keer ik mijn grote tas binnenstebuiten: flesje water, mini-plu, twee boekjes en een sjaal.

Met een zucht check ik weer de zakken van mijn regenjas. Op een zakdoek en een oud boodschappenbriefje na zijn ze leeg. In ons huis brandt het keukenlicht. Verder is het aardedonker. Hans ligt allang te tukken. De katten cirkelen om me heen.

Ik kijk naar boven. Zal ik Hans wakker maken? Ik ben bang dat hij boos wordt als ik hem wek. En ik hoor hem al zeggen: ‘mindfulness Siem, houd aandacht bij wat je doet.’

In de auto, natuurlijk daar liggen ze vast. Enthousiast schijn ik met het licht van mijn mobiel over de matten en met mijn andere hand tast ik onder de rem en het gaspedaal. Niks. Het dashboardkastje haal ik leeg. Ik kom van alles tegen: een nagelvijl, pennen, muntjes, een zonnebril uit de jaren negentig, routebeschrijvingen, tandenstokers, een potje vitamine C-pillen, tissues en een kleverige lipgloss. Geen sleutels. Er zit maar één ding op, Hans wakker maken.

Ik druk langdurig op de voordeurbel. Het blijft stil in huis. Ik roep luid en duidelijk: ‘Hans, Hans!’ Naast de keukendeur staan lege wijnflessen en Hak-potjes, klaar voor de glasbak. Ik mik met het dekseltje van een van de Hak-potjes tegen het slaapkamerraam. Het belandt in de goot. Hans geeft geen sjoege. Met twee wijnflessen ram ik op de gietijzeren gieter. Het maakt een hels kabaal. Sanka en Vlek maken dat ze wegkomen.

Bij de overbuurvrouw brandt nog licht. Ik sprint erheen en zij weet van wanten, want ze plaatst haar uitschuifladder tegen onze gevel. Het is hoog en ik vind het eng, maar het moet. Ik klauter langzaam naar boven. Op de achtste traptrede durf ik niet verder en geef ik een brul. ‘Hans, Hans wakker worden.’ Door het open raam horen wij hem ronken.

Er blaft een hond op straat. Ik snel ernaar toe. Buiten adem doe ik mijn verhaal aan de buurman die net zijn Deense dog aan het uitlaten is. De buurman klimt tot bovenaan de ladder en hij steekt zijn hoofd door het slaapkamerraam. ‘WAKKER WORDEN.’

Dat is eindelijk genoeg voor Hans om te ontwaken. Even later opent hij versuft de deur. ‘Was jij je sleutels vergeten Siem?’

‘Het spijt me schat.’

Gelukkig vind ik binnen mijn sleutels op hun vertrouwde plek.

Siem, alsjeblieft beloof me dat je niet meer overhaast de deur uitgaat.’

‘Dat beloof ik’, zeg ik en ik kijk hem schuldbewust aan.

‘Wil je nog iets drinken, voordat we naar bed gaan?’

‘Ik dacht dat je zou ontploffen van kwaadheid.’

Hans reikt me een half glas Rioja aan. ‘Waarom denk je dat?’

Opeens realiseer ik me dat mijn ex uit zijn vel zou springen in zo’n situatie. Het is al 25 jaar geleden en ik wist toen nog niet eens van de ADD. ‘Herinneringen van vroeger denk ik’ mompel ik in gedachten.

‘Siem,’ zegt Hans, ik vind het niet erg dat je altijd dingen vergeet, maar dat ik niet je ex ben moet je nu echt eens onthouden.’

Categorieën
Uncategorized

STRIK

kinderverhaal

Paula neemt een grote hap van haar beschuit met aardbeienjam. ‘Mm, ik lust er nog wel één mam.’

‘Jij mag even wachten.’ Rustig borstelt moeder het blonde haar van Lisette die keurig stil blijft zitten. Ze weet dat dat moet van mama.

Moeder pakt een lange blonde haarlok beet en zet deze vast met een donkerblauwe strik. ‘Zo, klaar en nu smeer ik weer beschuitjes.’ ‘Ik wil ook een strik’, zegt Paula. Lisette schatert het uit. ‘Haha, dat kan helemaal niet.’ ‘Waarom niet?’, vraagt Paula. Dat weet je best’, zegt moeder. ‘Een strik blijft niet zitten in jouw haar. Daar is het veel te kort voor.’ ‘En toch wil ik een strik.’ Ze slaat met haar vuist op tafel. Op dat moment komt papa de keuken binnen. ‘Je kunt een strik in je veters krijgen,’ bromt papa. Beduusd kijkt Paula op. Lisette begint nog harder te lachen. ‘In mijn veters?’ vraagt Paula. ‘Ja meis, het wordt hoog tijd dat jij zelf je veters leert strikken.’

‘Dat kan ik niet, dat kan ik niet, dat kan ik niet.’ ‘Aaaahh, ik doe het nog één keertje voor,’ zegt papa. ‘Hoe moet dat anders, wanneer je groot bent?’ Paula denkt even na. ‘Dan loop ik gewoon op schoenen met klittenband. Of op van die schoenen waar je zo in kunt stappen.’ ‘Maar je wilt toch graag die paarse sneakers met die witte ster aan? Waar je zo hard op kunt rennen?’ ‘Dat is waar.’ Papa doet geduldig voor hoe je een lus maakt met de ene veter en de andere veter eromheen doet. Nu probeert Paula haar veters zelf te strikken. Het lukt niet. ‘Ik kan het niet, ik kan het niet, ik kan het niet.’ Boos loopt Paula weg.

‘Paula,’ roept Lisette, ‘mag ik je voordoen hoe je je veters moet strikken? ‘Ik ben ook linkshandig, net als jij.’ Ineens ziet Paula hoe het moet. Ze oefent en oefent. En ja hoor, ze kan het. ‘Ik kan het, ik kan het, ik kan het!’ Ze zoent eerst Lisette, dan papa en mama. Apetrots rent ze op haar paarse sneakers naar school.

Categorieën
Uncategorized

ZETEL

December 2004

‘Ik hoor mijn mandje roepen’, zeg ik tegen de collega die naast me loopt.

In de vertrekhal op Schiphol liggen de passagiers als ronkende zeehonden over elkaar heen op de grijze zitbanken. Er zijn er zelfs bij die slapen op de grond.

Om de 400 meter staat een kerstboom met goudkleurige ballen en minivliegtuigen.

Samen met mijn collega’s kom ik na een ellenlange vertraging uit Rome terug op Schiphol. We zijn blij dat we mochten landen met deze donder en bliksem.

Mijn collega’s en ik slaan de hoek om naar vertrekhal twee. Daar slapen passagiers op veldbedden. Een man in een rode jurk snurkt zo hard als een beer en dat met zijn mond wijd opengesperd. Ik onderdruk een lach en zie dat mijn collega’s hetzelfde doen.

Op de grote klok in het midden van de hal zie ik dat het 3.15 uur is. Ik kan mijn ene voet niet meer voor de andere zetten. Door de metershoge ramen scheurt de bliksem de inktzwarte lucht in tweeën. Er kan geen kist meer vertrekken. Voordat een kist de lucht in gaat moet er getankt worden. Dat mag nu niet, want met iedere bliksemschicht stijgt het ontploffingsgevaar.

Mijn collega’s zien bleek van vermoeidheid. We lopen door naar de volgende hal. Daar staat op een podium een zetel waar je met zijn drieën op kunt zitten. Hij is van rood fluweel en staat klaar voor de Kerstman die in aantocht is. De zetel is bezet. Er ligt een donkere man op van wel twee meter lang met een scheef hangende kerstmuts op zijn hoofd. Zijn benen bungelen over de armleuning. Hij slaapt met een glimlach op zijn gezicht.

Híj wel.

Categorieën
Uncategorized

DUIKEN

kinderverhaal

Elke zondagochtend gaan Pieter en Katja samen naar zwembad De Zwoer. Daar krijgen ze zwemles. Pieter is er al helemaal klaar voor. Hij staat met zijn zwemtas voor het huis van Katja te wachten. In de zwemtas zitten zijn rood-witte zwembroek, een grote handdoek, zijn slippers, shampoo en een kammetje.

Ze vinden het beiden reuzeleuk, de fijnste sport die er is. Op school hebben ze gymles, maar dat vinden ze niet zo fijn als zwemmen. Ze kunnen geen bal vangen, ze zijn niet zo lenig en hun gevoel voor ritme is ook ver te zoeken.

Laat deze twee maar zwemmen, dat kunnen ze als de beste. Ze hebben afgesproken dat ze samen alle zwemdiploma’s gaan halen, inclusief reddingszwemmen. Natuurlijk kunnen ze al de borstcrawl en de schoolslag. Op de rug zwemmen kunnen ze ook heel goed. De rugcrawl en de enkelvoudige rugslag.

Met een sierlijke boog duikt Katja erin. Pieter springt van de kant. De badjuf kijkt naar Pieter. Wanneer Pieter weer aan de kant is, zegt ze dat Pieter nu toch echt eens moet leren duiken. Pieter doet net of hij het niet hoort. Duiken is het enige dat hij niet wil. Of eigenlijk niet durft.

‘Kom’, zegt de badjuf, ‘we gaan oefenen.’ Met zijn tenen staat Pieter over de rand. Zijn hoofd naar beneden. En zijn armen over zijn hoofd gevouwen. Zijn vingers raken nu bijna zijn tenen. De andere kinderen kijken naar Pieter. Pieter wil niet voor gek staan. Katja fluistert ‘hup Pieter, je kan het. Kin op de borst houden en naar je bovenbenen blijven kijken.’ Oh ja, denkt Pieter, dat is heel belangrijk, anders duik ik plat en dan heb ik straks een rode buik. Hij is bang om met zijn hoofd tegen de rand te komen.

Vanaf de kant hoort Pieter ‘een, twee…..’ En daar gaat-ie. ‘Oefenen, oefenen, oefenen Pieter.’ Pffff, zwemmen is cool, duiken is afschuwelijk’, mompelt Pieter. Hij is jaloers op Katja. Prachtig kan zij het zwembad induiken. Hij lijkt wel een kleuter.

Samen kijken ze op de computer naar filmpjes van bekende zwemmers die in het water duiken. Ook kijkt hij naar een filmpje van zichzelf. De badjuf heeft met haar telefoon Pieter gefilmd en dat naar hem toe gemaild. Zo kan hij goed vergelijken. Die nacht droomt Pieter. Hij ziet zichzelf vanaf de rand van het zwembad als een echte zwemmer het water induiken. Wanneer hij wakker wordt, ziet hij in gedachte het duiken nog steeds voor zich.

Met Katja gaat hij oefenen. Iedere keer gaat het iets beter. Ze willen ook zo graag samen nog meer zwemslagen leren en alle zwemdiploma’s halen. De badjuf heeft beloofd dat als hij het duiken onder de knie krijgt, ze Pieter en Katja ook de vlinderslag gaat leren.

‘Moet ik ook leren om achterover te duiken juf? Want dat durf ik echt niet!’ ‘Nee hoor Pieter, dat hoeft niet.’ Met een grote grijns duikt Pieter er weer in en zwemt zo hard als hij kan op Katja af.

Categorieën
Uncategorized

ALLES TEGELIJK

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is afwasmachine-768x1024.jpg

Voorzichtig peuter ik aan het kettinkje van het thee-ei. Het is verstrikt geraakt in de afwasmachine. Het lukt niet, het kettinkje zit múúrvast. Ik pak dan maar een stapel borden en zet ze in de servieskast. Ondertussen klinkt er een hartverscheurend lied uit de radio: ‘Pense a moi, pense a moi.’

Vandaag is het Franse dag bij Radio M-Utrecht. Snel pak ik mijn mobiel en richt de melodieherkenner Shazam op de radio. Aha, het lied heet Message personnel en wordt gezongen door Michel Berger. De melodie grijpt me aan en ik ben ontroerd door de gevoelige stem van de zanger. Ook al versta ik er geen klap van. Míjn Frans komt niet veel verder dan: je m’appelle Simone.

Op mijn iPad google ik Michel Berger. Ik neem er een kopje koffie bij. Die vaatwasser komt zo wel. Hè, de koffieboontjes zijn weer eens op. Ik trek een Illy-blik open. Iets te enthousiast, want de boontjes vliegen in het rond. De keukenvloer ligt er vol mee. Sanka en Vlek, onze katten komen kijken. Het kletterende geluid van de bonen doet ze natuurlijk denken aan hun brokjes.

En daar komt nummer drie: Hans. ‘Wat gebeurt hier?’ Hij schudt zijn hoofd en zonder op mijn antwoord te wachten, maakt hij zich uit de voeten.

Driftig veeg ik alle bonen bij elkaar. Wáár was ik mee bezig? Oh ja, de afwasmachine uitruimen en ik wilde Michel Berger googelen. Die eerst. Er komt een man in beeld met een bos donkerbruine krullen en een dromerige oogopslag. Op Wikipedia lees ik dat hij behalve zanger ook de tekstschrijver was voor zijn echtgenote, de zangeres France Gall (Poupée de cire poupée de son). Oh, hij overleed op 44-jarige leeftijd aan een hartaanval tijdens een partijtje tennis. Hij ligt op het kerkhof van Montmartre.

‘Wat heb jij met dat thee-ei uitgespookt?’ Ah, Hans is er weer. Met engelengeduld wurmt hij het ei uit het rek. Daarna vertrekt hij met een mok koffie richting zijn krant.

Dan ga ik nu verder met uitruimen. Of wacht, ik gooi even een wasje in de wasmachine. ‘Siem’, hoor ik als ik de trap op ren: ‘doe de dingen in batches.’

Terug in de keuken pak ik de glazen lasagneschaal uit de vaatwasser en ik zie uit mijn ooghoek dat de blaadjes van de basilicum slap hangen. Met mijn ene hand druk ik de lasagneschaal tegen mijn borst aan en met de andere hand giet ik water op de basilicum. Ik loop met de gieter meteen door naar de woonkamer en geef ook de planten daar water. Dan is het nu tijd voor het vervelendste onderdeel: het bestek uitruimen.

‘Piep, piep.’ Ik hoor de vuilniswagen die zo te horen zijn rondje draait om het Burgemeesterpark. Oh, ik ben vergeten de groenbak aan de weg te zetten.

Hijgend en met een rood hoofd kom ik met onze bak bij de vuilnismannen aan. De knapste van de drie geeft me een knipoog, maar ik heb geen tijd om te reageren. Mijn zus kan ieder moment op de stoep staan, dus voort met het huishouden.

Als een razende roeland cross ik met de stofzuiger door de woonkamer. De poezen stuiven alle kanten op en kijken mij verontwaardigd aan. Ik kijk naar de klok: help, over een kwartier staat Marjolein voor de deur. Zusje is altijd stipt op tijd. Met de Franse slag sjees ik met een emmer sop door het huis. In de keuken zet ik de radio harder en zing ik mee met de Poppy’s.

Dingdong, daar is mijn zus. Met het zweet op mijn rug en een brede glimlach open ik de deur. De emmer sop staat nog op het aanrecht en de stofzuiger ligt nog in de hal. Tant pis.

‘Zo Siem, was je nog even de keuken aan het doen?’, vraagt mijn zus lachend.

‘Geloof me,’ antwoord ik, ‘met mijn hoofd doe je daar de héle dag over.’

Tien minuten later zet ik een cappuccino voor mijn zus op tafel. ‘Oh, ik pak nog even een lepeltje’, zeg ik erbij. Ik trek de la open. Verhip, wáár zijn alle lepeltjes gebleven? Ik zucht. Natúúrlijk, die liggen nog in de afwasmachine, die ik nog steeds niet heb uitgeruimd.

PS: Verhaal Alles tegelijk heeft de 1e prijs gewonnen met de wedstrijd ‘Hoe ga jij om met je AD(H)D’! (Vereniging Impuls & Woortblind)