Categorieën
Uncategorized

LIEVE JONGEN

November 2013.

De fitness waar ik kom, in het Gezondheidscentrum Driebergen aan de Korte Dreef, is geen gewone fitness.

Het is een fysiofitness met in de zaal veertien apparaten en één staande spiegel. Je fitnesst in een fysiopraktijk onder begeleiding van een fysiotherapeut.

Hier geen zwetende macho’s die hun getatoeëerde armen en joekels van spierballen maar wat graag showen. In dit zaaltje word je niet opgehitst om al na drie minuten door te moeten naar het volgende apparaat. Er zijn geen televisieschermen en er is geen lawaai.

Nee, hier maken de seniorenplus de dienst uit. Ze komen aangeschuifeld op hun orthopedisch schoeisel of achter een rollator. Zij kleden zich niet om in uitdagende pakjes. De therapeut helpt hen behoedzaam op de fiets. Na een minuut of twintig zijn ze toe aan koffie.

Ik ben zwaar in de minderheid. Gehuld in een strakke, kobaltblauwe outfit werk ik binnen een uur tien apparaten af. Geconcentreerd step ik me in het zweet. Op mijn vraag of de airco aan mag sputteren de oudjes fel tegen. Er komt een broze dame van tachtig-plus de fitnesszaal binnen. Ze kijkt naar me alsof we bekenden zijn en we groeten elkaar. Ik ken haar echter niet. Opnieuw werpt ze haar blik op mij. Ik voel me ongemakkelijk. Nu staart ze me onderzoeken aan. Ik heb geen idee waarom. Het dametje buigt haar hoofd om mij van de zijkant nog beter te kunnen bekijken. Ze gaat dichterbij me staan. Uit mijn ooghoeken zie ik dat de Ellert-Jan, de fysiotherapeut, het tafereel gadeslaat.

Ik haal diep adem en verzucht ‘mevrouw, u kijkt zo naar me. Mag ik vragen waarom?’ ‘Ja’, antwoordt ze met een zachte stem. Ze brengt haar mond tot aan mijn oor en fluistert: ‘weet je op wie je zo lijkt? Je lijkt sprekend op mijn schoonzoon.’

‘Op uw schoonzoon?’, vraag ik vol ongeloof. Ik werp een blik in de spiegel en duw mijn, door de sportbeha ietwat geplette borsten goed vooruit om te benadrukken dat ik toch echt een vrouw ben.

Het is een lieve jongen hoor’, antwoordt ze en ze schuifelt verder.

Categorieën
Uncategorized

OP HANDEN EN VOETEN

‘Ik ben mega beroerd!! Ik kon nauwelijks de trap op!!! Op handen en voeten.’

Ik stap uit de douchecabine en ik lees dit whatsappje. Oh nee,lieve Maarten, help wat is er met je aan de hand?

Maarten woont om de hoek. Hij is gezegend als vijftigplusser met een jongensachtig uiterlijk. En hij draagt nog altijd de studentikoze outfit bij uitstek: rond brilletje, gaatjesschoenen en lichtblauwe hemden met opgerolde mouwen. Daarnaast heeft hij, en dat spreekt mij als literatuurliefhebber wel aan,  de dictie van Adriaan van Dis.

Ik sta te druppen op de badkamervloer, maar ik moet er nu naar toe. Snel. Hollen. Erheen. Ik voel me nu net zo als tien jaar geleden. Toen raakte mijn man buiten kennis door hevige pijnen van een gezwel in zijn onderrug. Ook toen kwam ik net onder de douche  vandaan en rende ik halfnaakt naar buiten om de ambulancebroeders toe te schreeuwen waar ze moesten zijn.

Snel schiet ik mijn ondergoed en de dichtstbijzijnde jurk aan. Hup, naar Maarten.

Wat zou er in vredesnaam aan de hand zijn? Gisteravond zaten we nog met zijn allen in zijn achtertuin. Hij vulde de glazen met Pinot Grigio en serveerde toast met zalm.

Ik zie voor me hoe hij op handen en voeten via zijn open wenteltrap helemaal naar boven klautert. Een hand, een voet en weer een hand en een voet, om telkens uitgeput te moeten pauzeren.

 Het is vast zijn hart. Of heeft hij voedselvergiftiging opgelopen?  Misschien van de zalm die iets te lang in de zon lag. Hoe kom ik straks zijn huis binnen? De buren naast hem hebben  een sleutel, maar die liggen te zonnebaden aan hun zwembad in Spanje.  Als ik straks sta te roepen, hoop ik dat hij me hoort. In gedachte zie ik de ambulance al voor zijn huis.   

Oké, rustig aan. Eerst bel ik hem.

‘Ha Simoon.’

‘Maart, wat fijn dat je opneemt.’

Ach, ik voel me al stukken beter.’

‘Hè, maar wat heb je dan? Ik dacht dat het iets hééééél  ergs was.’

‘Weet je nog? Gistermiddag heb ik mijn 2e shot tegen Corona gekregen. Bijverschijnselen.

‘Maart, ik dacht dat je zowat dood ging’.

Hij begint te lachen. ‘Siem, je moet mijn whatsappjes niet te serieus nemen. Ik wilde mijn mottige gevoel even met iemand delen. Als er echt iets is dan bel ik. Maar lief dat je zo bezorgd was.

Ik laat me vallen op een stoel. Mijn jurk zit binnenstebuiten en mijn haar drupt op het kussen.

 Maarten op handen en voeten krijg ik niet meer van mijn netvlies.

Categorieën
Uncategorized

INWONING

februari 2015

Dinie voelt over mijn buik. Wat zijn haar handen ongelooflijk warm. Ze zijn groot, rimpelig en door de zon poepbruin geblakerd. Ik voel door mijn dunne truitje heen de ruwheid van haar handen en de kracht die ervan uitgaat.

Dinie noemt zichzelf een natuurkundig therapeut en heldervoelend. Vijf minuten geleden mocht ik in haar wachtkamer plaatsnemen. De wachtkamer bestaat uit één keukenstoel op de overloop met daarnaast een stapeltje beduimelde tijdschriften.

 Ik was ruim op tijd aangekomen op de Utrechtse Heuvelrug, in het pittoreske dorp Amerongen. Nerveus wachtte ik tien minuten in de auto. Tijd genoeg om de buurt wat te observeren: een rustig straatje met arbeiderswoningen uit de jaren vijftig. Aan de rechterkant zie ik een vensterbank tjokvol met glimmende beeldjes. Mijn moeder zou dit een Zangeres-zonder-naam-interieur hebben genoemd. Om vervolgens te zeggen: ‘je zou het niet denken, maar die beeldjes zijn heel duur.’

 Op rechts zie ik een jongedame, gehuld in een namaakbontjas, met aan de lijn een potige pitbull. Joviaal steekt ze haar hand op naar haar buurman die achter het raam zit.

 Dat ik naar mevrouw Dinie ga, is niet zomaar voor een check-up. Al maanden ervaar ik een ondefinieerbaar gerommel in mijn buikstreek. Voor mijn KLM-baan kom ik de laatste tijden veel in Dar es Salaam, Accra en Lagos. Misschien heb ik daar iets opgelopen?

 ‘Ah’, zegt Dinie, ‘je hebt inwoning’. Deze kreet laat ik even op me inwerken. Het klinkt heerlijk volks met een Utrechtse tongval, maar wat moet ik me voorstellen bij het begrip inwoning?

Dinie voelt verder. Ze heeft haar ogen gesloten en ze gaat geconcentreerd te werk. ‘Je Epstein Barr-virus is ook nog actief.’ Ik richt me wat op en kijk haar met verbazing aan. ‘Dat betekent toch Pfeiffer? Dat heb ik inderdaad gehad.’

Dinie vertelt me dat mijn lever het druk heeft met de inwoning. De inwoning betreft wormpjes. Om mijn lever te reinigen adviseert ze capsules mariadistel. En wormpjes houden niet van chloor, vertelt ze.  Natuurlijk niet het chloor uit je keukenkastje. Ze legt mij uit dat het lichaam is opgebouwd uit trillingen. En ze heeft voor mij draadjes geladen met chloortrillingen  die ik op mijn huid moet dragen. Om de Pfeiffer de kop in te drukken adviseert ze draden met  goudtrillingen.  Beide draden kan ik in mijn bh dragen. Chloor op links, goud op rechts en niet anders. Enkele minuten later sta ik weer buiten, honderdtwintig euro armer, zeventig euro voor het consult en vijftig euro voor de draadjes.

Enigszins beduusd rij ik naar huis. Het begrip inwoning en wormen rond de lever dringt nu pas tot me door. En dan die ‘medicijnen’ in de vorm van draden. Ik besluit naar de huisarts te gaan. Ik doe mijn verhaal, de draden durf ik niet te laten zien. Ook vertel ik over mijn buikkrampen en migraine van de afgelopen maanden. Ik krijg een potje mee. Mijn ontlasting moet op kweek worden gezet. Aan de binnenkant van het dekseltje zit een spatel. Het is me duidelijk. De huisarts drukt me op het hart om het potje niet overdadig te vullen en vooral goed dicht te draaien.

Een week later kan ik bellen voor  de uitslag. De doktersassistente bevestigt de inwoning in de vorm van een amoebe en een blastocystisch (darmparasiet). Vanwege mijn klachten schrijft de huisarts een kuur voor die ik bij de apotheek moet ophalen.

De apotheekmedewerkster geeft uitleg over de kuur. Een tiendaagse kuur en gedurende 12 dagen geen druppel alcohol. ‘Daar zult u kotsmisselijk van worden’, zegt ze.

‘Op Dinie’ zeg ik die avond, ‘die toch maar mooi gelijk had.’ Mijn man en ik proosten met een glas Pinot Noir. Die kuur kan wel een dagje wachten.

Categorieën
Uncategorized

PEPER

‘Cathelijne, krijg nou wat joh. Wat doe jij hier?’

Met mijn rammelende fietstas vol lege wijnflessen kom ik net op tijd aan bij de Lidl om een gesprek tussen twee blondines op te vangen.

 Ik stal mijn fiets voor de glasbak en ik spits mijn oren om te horen waar ze het over hebben. De ene zet grote ogen op en de andere wrikt met samengeperste lippen haar fiets uit het fietsenrek.

 Cathelijne, een slanke vrouw schudt haar blonde lokken en hangt twee Albert Heijn-tassen met boodschappen aan het stuur van haar fiets.

‘Ik kocht hier wat spulletjes en deze bloemen’, zegt ze met een zuinig mondje. Demonstratief steekt ze haar hand omhoog waarin ze een bos gele tulpen omklemt. Met haar andere hand heeft ze haar fiets vast. Het is een rood retromodel met een spierwit zadel.

‘Ik kom jou anders alleen maar tegen bij de Appie,’ reageert de vrouw die het gesprek begon.

 Van dit gesprek wil ik niets missen. Opzettelijk traag gooi ik mijn wijnflessen in de glasbak. Eén voor één, Simone. Iedere fles houd ik omhoog om te checken of deze groen of bruin is.

Cathelijne kijkt wat gepikeerd. ‘Lucy, de tijden van de Appie zijn voorbij’.  

‘Oh, waarom?’ Lucy oogt als een vrouw van niet lullen maar poetsen. Een fris make-uploos gezicht en een kortgeknipt blondgrijs kapsel.

‘Stef zegt dat we moeten bezuinigen.’

Hoor ik nou een snik in haar stem? Of verbeeld ik me dat? Nee hoor, er rolt een traan over haar wang.

Lucy haalt uit de zak van haar lichtroze windjack een verfrommelde zakdoek en reikt hem Cathelijne aan.

‘Stef krijgt een loonsvermindering van wel meer dan vijftien procent. Niks geen jaarlijkse salarisverhoging, winstdeling, dertiende maand. Niet eens vakantiegeld. En dat allemaal door de corona.’

‘Je mag anders blij zijn dat Stef zijn baan nog heeft.’ Lucy klinkt streng terwijl ze dit zegt.

En ondertussen deponeer ik zo voorzichtig mogelijk mijn lege flessen in het ronde gat om maar niks te missen. Quasi geïnteresseerd bestudeer ik een wijnetiket en ik mompel ‘deze pinot noir smaakte verrukkelijk.’

Cathelijne zucht diep. ‘Ik moest een lijstje van hem maken. Opschrijven waar ik op kan bezuinigen. Minder kleren en geen pouilly fumé of sancerre meer, maar de slobberwijn van de Lidl.’

‘ Tjongejonge. Ze hebben hier prima wijn hoor’, sist Lucy.

‘Bij de kaasboer kocht ik altijd schapenkaas met pepertjes erin. Het was een gouden duo met de sancerre. Maar dat mag niet meer van Stef,’ zucht Cathelijne. ‘Veel te prijzig’, zegt ie.

Weet je wat ik vind?’ Lucy zet haar beide handen in haar zij.

Ik zet mijn oren op scherp voor het antwoord. Ik sta nu ineengeklemd tussen twee PMD-containers en ik tuur zogenaamd naar de voorbijzeilende  wolken.

 ‘Je mag je wel eens wat minder aanstellen Cathelijne. Je koopt maar een stuk jongebelegen hier bij de Lidl en een pot peperkorrels en je perst die pepers er zelf maar in. En de laatste korrel is dan voor wat meer peper in je reet. Wat denk jij dame?’

Lucy’s hoofd wendt zich plotsklaps in mijn richting. Ik voel me betrapt. Ze lacht me breeduit toe. Ik voel mijn hoofd vuur- en vuurrood worden.

‘Euh,’ stamel ik, ‘de pinot noir is hier verrukkelijk.’

Categorieën
Uncategorized

MIJN MAN MOET GEEN CORONA KRIJGEN, deel 2

Koop een saturatiemeter. Die meet het zuurstofgehalte in het bloed. Als de waarde tussen 95 en 100 is, dan is het goed. Is de waarde onder de 90 dan moet je de huisartsenpost bellen.’ Ik heb onze huisarts aan de telefoon. Langzaam schuift er een wolk voor de zon.

In de beginperiode van onze Corona (we kregen het beiden) fietste mijn man er aardig doorheen. Maar na een paar dagen waggelde hij van zijn bed naar de bank om daar de rest van de dag op te blijven liggen. Doodop.

Behalve de saturatie meet ik ook op advies van de huisarts zijn ademfrequentie en de temperatuur. Mijn man ligt op apegapen. Hij trekt het dekbed strak tot onder zijn kin. Hij luistert mee met het telefoongesprek, maar zijn ogen vallen dicht.

‘Zorg ervoor dat hij voldoende drinkt’, zegt de arts. Ik praat terug met een hoge stem. En er zit een brok in mijn keel.

‘Siem wil je Janneke nog een keer opwarmen?’ Ik neem het kersenpitkussen van mijn man aan en stop zijn bedvriendin voor de tigste keer in de magnetron.

Buiten zet de overbuurvrouw twee volle tassen met boodschappen tegen onze keukendeur en gaat er als een haas vandoor. Ik hoest nog steeds als een zeehond. Behalve de boodschappen ligt er een veldboeket op de tassen. Ik schiet vol. Zo’n beetje iedere dag krijgen we bloemen. Van mijn schoonzus met een kaart erbij: Een beetje vrolijkheid in huis. Hou de moed erin, het is eindig lieverds. Weer komen de waterlanders. Ik kijk naar mijn man. Hij heeft een bleek gezicht met grijze baardstoppels. Ik houd mijn hart vast. Even opent hij zijn ogen en zegt: ‘Siem ik kom erdoorheen’.

 Het wordt mijn mantra: ‘Siem ik kom erdoorheen.’

Op het scherm van de saturatiemeter lees ik 83 en twee seconden later is het 87. Eigenlijk moet ik de huisartsenpost bellen. ‘Over een half uur meten we weer Siem. Geen paniek alsjeblieft.’

Ik loop door het huis en zie mezelf weerspiegeld in een ruit. Ik schrik van mijn ingevallen gezicht en de kringen onder mijn ogen. Hij roept me. Ik schud zijn kussen op, ondersteun zijn achterhoofd en laat hem kleine slokjes drinken. De saturatie meten we weer op. Ik haal diep adem. Het is 90.

Tien dagen later. Gelukkig mag ik uit de quarantaine. Ik sta op de groenteafdeling van Albert Heijn. In mijn ene hand houd ik een knoflookbol vast en in mijn andere hand een rode peper. Ik voel me duizelig worden. Stiekem schuif ik mijn mondkapje opzij, zodat ik meer zuurstof binnenkrijg. Langzaam loop ik terug naar huis.

Thuis zit mijn man met een glimlach op de bank. ‘Ik voel me gesloopt, maar als ik dit apparaatje geloof dan komt het goed.’

Trots laat hij de saturatiemeter zien: 99.

Categorieën
Uncategorized

MIJN MAN MOET GEEN CORONA KRIJGEN deel1

‘Wilt u de wattenstaaf in uw linkerneusgat of in uw rechter?’

‘Links graag.’ Ondertussen sta ik te zwabberen op mijn benen.

De wattenstaaf voel ik aan de rechterkant. ‘Dit is links’ en ik hef mijn linkerhand omhoog.  De GGD-medewerker in zijn smurfblauwe plastic pak haalt het wattenstaafje weer uit mijn neus.

‘Mevrouw, uw rechterkant is mijn linkerkant.’ Ik kijk naar hem. Zijn ogen zijn zachtblauw van kleur en matchen met het mondkapje. Daaroverheen draagt hij nog een face-shield.

Ik sta in het cultureel centrum dat dienst doet als GGD-testlocatie. Als ik ademhaal voelt het alsof een klauw mijn longen vastgrijpt.  Ik heb 39 graden koorts en ik voel me duizelig. Af en toe krijg ik koude rillingen. Ik heb spierpijn in mijn benen en ik heb zo’n keelpijn alsof iemand met een scheermes aan de binnenkant er langs is geweest. Ik blijf mevrouw eigenwijs die, ziek of niet,  een discussie aangaat over links en rechts.

Vanwege de kans op Corona leven mijn man en ik intussen gescheiden van elkaar, voor zover dat mogelijk is onder één dak. Hij beneden en ik boven. Af en toe zwaaien we via het trapgat naar elkaar. Hij in z’n joggingpak en ik in mijn badjas. De testuitslag is online te bekijken. En inderdaad: ik ben positief getest. Mijn man moet ook getest worden. Ik doe schietgebedjes: ‘als ik hem maar niet heb aangestoken.’

Al een jaar lang zeg ik dagelijks: ‘mijn man moet geen Corona krijgen.’ Behalve dat hij de liefste man van de Utrechtse heuvelrug is, heeft hij twee keer kanker en een hartaanval gehad. Al maanden vrees ik Corona op te lopen. Ik overleef het wel, maar hij? Zijn gezondheid is broos. De afgelopen tien jaar balanceerden zijn kinderen, zijn zus, onze vrienden en ik tussen hoop en vrees. Als hij flink verkouden is, zie je zijn lijf al knokken.

Twee dagen later hoest ik nog steeds de longen uit mijn lijf als mijn mobiel afgaat. Het is mijn man die vanuit de huiskamer belt. Hij zegt één woord: ‘positief’.

‘Wát? Oh nee? Niet ook jij. Hoe voel je je schat?’

‘Een beetje slap in de benen en ik voel me futloos.’

‘Ja en verder?’

‘Verder niks.’

‘Verder niks?’

‘Nee, verder niks.’

‘Siem, heb vertrouwen. Linksom of rechtsom, het komt goed. Goed met ons beiden.’

Wordt vervolgd.

Categorieën
Uncategorized

nemoal

‘Mag ik van u drie walnotenkoeken en drie gemberkoeken?’ Voor mij staat een man in een strak donkerblauw pak.  ‘Vandaag trakteer ik de dames op kantoor.’

Ik wacht op mijn beurt voor de toonbank bij onze plaatselijke bakkerij . Mijn ogen schieten heen en weer van koeken naar de taartjes en het gebak.  Behalve slagroompunten met een stukje ananas en een chocolaatje er bovenop liggen hier bananensoezen, chipolatagebak,tompouces, Schwarzwalderkirschgebak en skigebak. De koeken hebben een naam zoals een spoorpunt, appelgabber en kersenkleuter.

De verkoopmedewerkster vertrekt geen spier. ‘Anders nog iets meneer?’  Ze heeft een rode blos op haar frisse, bolle toet.

De zakenman wijst naar de appelgabbers. ‘Daar wil ik er graag vier van en van die wil ik er twee.’ Nu wijst hij naar de kersenkleuters. Die namen krijgt hij blijkbaar zijn mond niet uit.

‘Anders nog iets?’

Ik zucht zo stil mogelijk. Het schiet hier voor geen meter op en ik heb haast.

‘Een half sesam volkoren alstublieft.’

‘Dik of normaôl?’

‘Pardon?’

‘Dik of nemoal gesneden?’

Bij mij borrelt een binnenpretje omhoog. Ik kan er echt niets aan doen, ik voel mijn linkermondhoek omhoog krullen en ik schiet in de lach. Deze vrouw spreekt altijd het woord normaal uit met een accent of ze van het platteland komt.  Ze haalt haar neus op en werpt mij een blik toe alsof ze me nooit meer wil zien.

 De trakterende zakenman schraapt zijn keel.

‘Graag normaal alstublieft.’ Hij balanceert van zijn tenen naar zijn hakken en weer terug. En dan vertrekt hij met volle handen richting kassa.

Mooi, ik ben aan de beurt. ‘Mag ik van u twee saucijzenbroodjes, een mueslibol en een kaasstengel?’ ‘En, ratel ik er direct achteraan, ‘mag ik alvast voor vrijdag een half casino wit bestellen?’ ‘Normaal gesneden graag’, vraag ik vlug. Ik reken alles af inclusief het half casino, zodat ik vrijdag snel klaar ben met alleen het brood  ophalen.

Op vrijdag stal ik mijn fiets voor de etalage. Uit mijn ooghoek zie ik verkoopster nemoal achter de toonbank staan.

Ik open de deur en stap naar binnen. Op dat moment gooit verkoopster nemoal iets mijn kant op. Een half casino wit belandt vlak voor mijn voeten.

M’n mond valt open. Wat doet ze nu?

‘Oh sorry. Sorry,sorry,sorry. Ik dacht u vangt het wel’

Ik sta als aan de grond genageld en ik weet niets uit te brengen.

Voordat ik de winkel uitstap mompel ik: ‘doe eens normaal joh.’

Onmiddellijk kaatst ze de bal terug: ‘ik doe toch nemoal.’

Categorieën
Uncategorized

KAPOTJE

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is KAPOTJE-1024x768.jpg

                                                                             

 ‘Alstublieft, uw kamersleutel.’

Het is namiddag in Bangkok. Met mijn KLM-collega’s sta ik na een vlucht van meer dan elf uur bij de receptie van ons hotel. In Nederland is het 9.00 uur en beginnen de meeste mensen frisgewassen aan hun werkdag. Vanwege de Covid-19maatregelen heeft KLM-crew in Bangkok een verplichte hotelkamerquarantaine.

De receptioniste draagt een perzikkleurige sarong en heeft een echte orchidee in haar haar. Ze verdeelt de kamersleutels onder alle collega’s. Ieder bemanningslid ontvangt een elektronische sleutel die één keer werkt. Je kunt niet zomaar overwippen naar een andere kamer.

Het setje uit onze crew is voor mij aan de beurt. Zij heeft haar blonde haar in een strakke paardenstaart. Aan haar is niet te zien dat ze een duty van meer dan twaalf uur erop heeft zitten. Hij, een bonk van een kerel, heeft een blik alsof hij ieder moment het uniform van haar lijf wil trekken.

De Thaise schone overhandigt hen beiden een afzonderlijke sleutel.

‘Eén sleutel is voor ons voldoende’, zegt de blonde staart.

‘I am sorry’, klinkt in het in Thais Engels. ‘Omdat alle bemanningsleden verplicht in quarantaine moeten, moet iedere collega op zijn eigen kamer verblijven. ’ Nu doet de bonk een duit in het zakje. ‘Wij zijn man en vrouw en willen graag op één kamer’.

‘ No can do, alleen als u uw trouwboekje laat zien maken we een uitzondering.’

Ai, hier is geen speld tussen te krijgen en met neerhangende mondhoeken druipt het stel af.

Na drie uur slaap videobel ik met mijn man. Ik vertel hem het verhaal van het setje en de kamerquarantaine. Ik zit in m’n roze nachthemd aan het bureau met een dampende kop thee voor me. Mijn man zit met een ongeschoren kop in z’n schipperstrui met een mok koffie in zijn hand.

‘Schat, ik zit hier nog 19 uur vast op mijn kamer’. Ik richt de camera van mijn mobiel via het raam naar de buitenwereld. Vanuit het groen staart er een stenen Boeddha met een opgeheven hand naar mijn man. ‘Bij Boeddha  is het dertig graden en hier blaast de airco in mijn nek.’

‘Simone’, spreekt mijn man me toe. ‘Maak er het beste van.’

Na ons telefoongesprek open ik de kledingkast. Fijn, er hangt hier een witte katoenen badjas met  wafeltjespatroon. Ik trek een lade open. Haha, wat ligt hier? Een pakje Durex. For sale.

Gauw maak ik een foto voor de groepsapp van onze crew. ‘Hoe is het met jullie? Ik verveel me kapotje.’

Categorieën
Uncategorized

VINGERKNIP

 Dwars door de mondkapjes heen kan ik het goed verstaan: ‘Dat meen je niet Suus. Deed hij dat echt? Nou, dat moet bij mij niemand  flikken. Dan ben ik meteen pleite. Bij zo iemand blijf je toch niet?’

De vrouw in de lichtblauwe regenjas kijkt de ander met donkere ogen aan.

Ik zit in een trein die nu al een minuut of acht stilstaat op station Driebergen-Zeist terwijl ik naar Utrecht wil. Ik kijk naar de regendruppels op de ruiten en ondertussen luister ik een gesprek af.

Op het bankje schuin tegenover mij nemen de twee vrouwen de relatie van de een door. Suus heeft strak gestylde wenkbrauwen in de vorm van het Nike-logo en ratelt maar door over de vader van haar kinderen.

‘Ik pik het ook niet langer’, zegt  Suus. ‘Hij werkt , nu in de coronaperiode, de godganse dag aan de eettafel. De kinderen moeten stil zijn, omdat meneer werkt en zich moet concentreren, zegt ie. Dat spreekt hij ook echt zo uit, con-cen-tre-ren.’

 Er ploft een vrolijke blonde krullenbol tegenover mij neer, type Jochem Myjer. Hij heeft de trein weten te halen, omdat we vertraging hebben, gok ik zomaar. De geluksvogel. Die Suus met haar strakke wenkbrauwen loert uit haar ooghoeken naar Jochem en ze vervolgt haar verhaal tegen de lichtblauwe regenjas. Jochem zit er meteen in en kijkt me verbaasd aan. Ik tuur maar weer naar buiten. In het weiland staat een eenzame zwarte schuur van vermolmd hout.

De lichtblauwe regenjas luistert hoofdschuddend naar haar vriendin Suus.

‘Als hij een telefoongesprek voert en de kinderen maken kabaal, dan gaat ie staan en gebaart in mijn richting en begint met z’n vingers te knippen. Kijk zo, klik, klik, klik. Aan de ene hand zijn telefoon en met de andere hand klik, klik, klik’.

Jochem geeft me een knipoog en ik voel dat ik bloos. In gedachten  ben ik bij mijn vader. In restaurants knipte hij altijd met zijn vingers om de ober te wenken. Mijn zusje en ik schaamden onze ogen uit de kop.

 ‘Ik zou het wel weten’,  zegt de lichtblauwe regenjas. ‘Dit betekent niet veel goeds. Ik zou m’n kinderen oppakken en linea recta naar m’n moeder gaan. Dit pik je toch niet langer? Waarom vraag je niet of hij boven gaat werken Suus?’

‘Dat weigert ie’, zegt ze met een verdrietige blik. ‘Ach ja, we zitten in een dip, maar ik heb natuurlijk ook wel hele leuke tijden meegemaakt. Ik mag met hem mee naar uitjes van zijn werk: rode-loper-events, diners, rondleidingen en concerten. Dan kan ik me optutten en m’n glitterjurk aantrekken. Vorig jaar zijn we nog met zijn hele bedrijf in Parijs geweest. We logeerden in zo’n boetiekhotel.’

Terwijl ze dit vertelt, straalt ze. Jochem en ik kijken elkaar even aan. We weten beiden dat ze blijft bij de heer vingerknip. De trein komt in beweging en het mechanische geratel overstemt al snel het gemompel vanachter de mondkapjes. Jochem is intussen verdiept in zijn mobieltje. Ik zak weg in een droom waarin ik in een lichtgroene jurk met lovertjes aan de arm van Jochem over de rode loper schrijd.

Categorieën
Uncategorized

DEZE VAN GOGH IS VAN MIJ

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is LR-LR-Vincent-893x1024.jpg

‘Iedere dag vinden we etensresten. Van boerenkool tot stukjes witbrood. Ja, lacht u maar, wij kunnen het opruimen. En dat iedere dag. Straks komt er nog ongedierte’.

‘Het spijt me’, zeg ik tegen José, een van de verzorgsters van Beukenstein. Zelf heb ik het één keer gezien. Ik kwam binnen op de kamer van oom Jo. Hij duwde net  een lepel met gele vla tegen het fotolijstje van tante Mietje aan. ‘Hapje voor Mietje, toe dan, mondje open.’

 Wat moet ik doen? Zeggen dat tante Mietje al een tijdje geleden is gaan hemelen?  

Vandaag komt oom Jo bij ons een borreltje drinken. Via Park Seminarie gaan we door het bos naar ons huis. Hij heeft een borstelsnor die door zijn leeftijd wit is geworden, net als zijn haardos. Hij draagt nog altijd zijn jagersjas en z’n hoed met een veertje erop.  Oom Jo snelt voort in zijn elektrische rolstoel. Ik  kan hem nauwelijks bijbenen. Waarschijnlijk verheugt hij zich op z’n favoriete drankje, de kopstoot.

Plotseling draait hij de rolstoel richting de Hoofdstraat. ‘Oh, ik moet nog even terug naar de zaak en wat telefoontjes plegen.’

‘Ome Jo, u bent al wat jaartjes met pensioen.’

‘Echt waar?  Och kind wat vliegt de tijd’.

Inderdaad, schiet door m’n hoofd, zo geeft Oom Jo nog financiële adviezen en zo voert hij eten aan een fotolijstje. Hij wijst naar het halfronde witte flatgebouw. ‘Weet je nog, Mietje noemde dit altijd Paleis Soestdijk’.  Oom Jo kijkt me met een serieuze uitdrukking aan. Daarnet was hij verward en nu is hij helder, realiseer ik me. Hij weet dat tante Mietje er niet meer is.

Even later zijn we er. ‘Kijk eens oom Jo, uw favoriete duo.’ Mijn man heeft voor hem een pilsje en een jonge jenever klaargezet.

‘Wilt u een stukje kaas’?

‘Mmmm, lekker zeg, deze krijgen we in Beukenstein niet.’

‘Dit is Remeker kaas, gemaakt van jerseykoeien.’

Oom Jo stopt met kauwen en prevelt:  ‘is het wel deugdelijk dan?’

Ik haal diep adem, wat moet ik hier nou weer op zeggen.                                                        

‘Mijn hemel, waar heb je die nou gevonden?, en waarom hangt het hier?’, vraagt hij.

 Ik zucht hard. ‘Ome Jo’, begin ik.

Oom Jo rijdt naar de televisie.  Boven onze televisie hangt het Caféterras bij nacht.  ‘Ja hoor, aan de onderkant van de lijst is een stukje af, deze Van Gogh is van mij.’

Bij ons hangt het schilderij net als vroeger bij oom Jo en tante Mietje boven de televisie.  Wanneer ik bij hen logeerde leerde oom Jo ons badmintonnen op de Boswei in Driebergen. Hij haalde mij in zijn zilvergrijze Citroen CX van het station af en als we op de Arnhemse Bovenweg reden en het witte hek passeerden, wist ik:  we zijn er bijna.

 Na het avondeten moest ik mijn mond houden, want oom en tante keken naar het journaal. Ik kon mijn aandacht niet bij het nieuws houden dus droomde ik meestal weg bij de sterrenhemel en de bistrotafeltjes van Van Gogh.

‘Ik ga mijn Van Gogh zo meenemen’, bromt oom Jo.

Mijn man kijkt vanachter de Stichtse Courant naar mij. Ik ken zijn blik. Dit mag ik zelf oplossen. ‘Ome Jo, toen u naar Beukenstein verhuisde, heeft u deze aan mij  gegeven.’

Hij zegt niets.

‘Nou ik weet het goed gemaakt’, zegt mijn man, ‘ we plannen een uitje naar het Kröller Müller museum, daar hangt het origineel.’

 ‘Niks ervan, deze Van Gogh is van mij.’ Hij rijdt naar voren  en ramt vol de glazen televisietafel. Het televisietoestel wankelt heen en weer. Mijn man springt op: ‘Oh nee.’

 Binnen drie grote stappen ben ik bij het schilderij en gris het van de muur. ‘Ome Jo, we nemen het mee naar uw huis.’ Ik douw het schilderij in een vuilniszak en ik doe net alsof ik het schilderij achter zijn stoel bevestig.

Hij drinkt gauw zijn bier en de jenever op en kauwt de kaasblokken weg. Als we Beukenstein naderen is hij het schilderij vergeten. Ik loop via een omweg naar huis. Bij het witte hek aangekomen, omklem ik het met beide handen en sluit mijn ogen. Ik hoop maar dat de goede herinneringen aan oom Jo dit soort ervaringen als vandaag zullen verdringen.