Categorieën
Uncategorized

ALLES TEGELIJK

Deze afbeelding heeft een leeg alt-attribuut; de bestandsnaam is afwasmachine-768x1024.jpg

Voorzichtig peuter ik aan het kettinkje van het thee-ei. Het is verstrikt geraakt in de afwasmachine. Het lukt niet, het kettinkje zit múúrvast. Ik pak dan maar een stapel borden en zet ze in de servieskast. Ondertussen klinkt er een hartverscheurend lied uit de radio: ‘Pense a moi, pense a moi.’

Vandaag is het Franse dag bij Radio M-Utrecht. Snel pak ik mijn mobiel en richt de melodieherkenner Shazam op de radio. Aha, het lied heet Message personnel en wordt gezongen door Michel Berger. De melodie grijpt me aan en ik ben ontroerd door de gevoelige stem van de zanger. Ook al versta ik er geen klap van. Míjn Frans komt niet veel verder dan: je m’appelle Simone.

Op mijn iPad google ik Michel Berger. Ik neem er een kopje koffie bij. Die vaatwasser komt zo wel. Hè, de koffieboontjes zijn weer eens op. Ik trek een Illy-blik open. Iets te enthousiast, want de boontjes vliegen in het rond. De keukenvloer ligt er vol mee. Sanka en Vlek, onze katten komen kijken. Het kletterende geluid van de bonen doet ze natuurlijk denken aan hun brokjes.

En daar komt nummer drie: Hans. ‘Wat gebeurt hier?’ Hij schudt zijn hoofd en zonder op mijn antwoord te wachten, maakt hij zich uit de voeten.

Driftig veeg ik alle bonen bij elkaar. Wáár was ik mee bezig? Oh ja, de afwasmachine uitruimen en ik wilde Michel Berger googelen. Die eerst. Er komt een man in beeld met een bos donkerbruine krullen en een dromerige oogopslag. Op Wikipedia lees ik dat hij behalve zanger ook de tekstschrijver was voor zijn echtgenote, de zangeres France Gall (Poupée de cire poupée de son). Oh, hij overleed op 44-jarige leeftijd aan een hartaanval tijdens een partijtje tennis. Hij ligt op het kerkhof van Montmartre.

‘Wat heb jij met dat thee-ei uitgespookt?’ Ah, Hans is er weer. Met engelengeduld wurmt hij het ei uit het rek. Daarna vertrekt hij met een mok koffie richting zijn krant.

Dan ga ik nu verder met uitruimen. Of wacht, ik gooi even een wasje in de wasmachine. ‘Siem’, hoor ik als ik de trap op ren: ‘doe de dingen in batches.’

Terug in de keuken pak ik de glazen lasagneschaal uit de vaatwasser en ik zie uit mijn ooghoek dat de blaadjes van de basilicum slap hangen. Met mijn ene hand druk ik de lasagneschaal tegen mijn borst aan en met de andere hand giet ik water op de basilicum. Ik loop met de gieter meteen door naar de woonkamer en geef ook de planten daar water. Dan is het nu tijd voor het vervelendste onderdeel: het bestek uitruimen.

‘Piep, piep.’ Ik hoor de vuilniswagen die zo te horen zijn rondje draait om het Burgemeesterpark. Oh, ik ben vergeten de groenbak aan de weg te zetten.

Hijgend en met een rood hoofd kom ik met onze bak bij de vuilnismannen aan. De knapste van de drie geeft me een knipoog, maar ik heb geen tijd om te reageren. Mijn zus kan ieder moment op de stoep staan, dus voort met het huishouden.

Als een razende roeland sjees ik met de stofzuiger door de woonkamer. De poezen stuiven alle kanten op en kijken mij verontwaardigd aan. Ik kijk naar de klok: help, over een kwartier staat Marjolein voor de deur. Zusje is altijd stipt op tijd. Met de Franse slag sjees ik met een emmer sop door het huis. In de keuken zet ik de radio harder en zing ik mee met de Poppy’s.

Dingdong, daar is mijn zus. Met het zweet op mijn rug en een brede glimlach open ik de deur. De emmer sop staat nog op het aanrecht en de stofzuiger ligt nog in de hal. Tant pis.

‘Zo Siem, was je nog even de keuken aan het doen?’, vraagt mijn zus lachend.

‘Geloof me,’ antwoord ik, ‘met mijn hoofd doe je daar de héle dag over.’

Tien minuten later zet ik een cappuccino voor mijn zus op tafel. ‘Oh, ik pak nog even een lepeltje’, zeg ik erbij. Ik trek de la open. Verhip, wáár zijn alle lepeltjes gebleven? Ik zucht. Natúúrlijk, die liggen nog in de afwasmachine, die ik nog steeds niet heb uitgeruimd.

PS: Verhaal Alles tegelijk heeft de 1e prijs gewonnen met de wedstrijd ‘Hoe ga jij om met je AD(H)D’! (Vereniging Impuls & Woortblind)

Categorieën
Uncategorized

CONTIKI

Er zijn mensen die stelen uit onvrede.

Ik ben het beu om op zaterdag naar ‘s-Gravenhage te rijden en over te werken.’

Het is 2006. Mijn vader houdt zijn Wedgewoodkopje in de lucht ten teken dat zijn vriendin Sonja nog een keer mag inschenken.

‘Simone, ik ga je wat opbiechten.’

Ik recht mijn rug.

Een paar zaterdagen terug had ik om 15.00 uur alle paperassen op mijn bureau weggewerkt. Ik liep naar het voorraadmagazijn en heb zoveel pakken Douwe Egberts-rood meegenomen als ik kon dragen. De week daarop lag er een briefje bovenop de resterende pakken koffie. ‘Wie steelt is een dief’ stond erop.’

Pa kijkt me met zijn fijngeknepen ogen en een brede glimlach aan alsof hij de mop van de eeuw vertelt. Ik weet geen woord uit te brengen en ik kijk naar Sonja. Van Sonja krijg ik geen bijval. Logisch, ze is geen haar beter en maakt het vele malen bonter. Haar voorraadkast puilt uit van de grootverpakkingen toiletpapier, vuilniszakken en schoonmaakmiddelen. Ze gapt deze uit het verzorgingshuis waar ze werkt als hoofdverpleegkundige. Zelf zei zij altijd hóófdverpleegkundige.

Een collega vertelde aan mij dat wanneer hij in het huis van zijn ex-vrouw was, hij stiekem een fles rode wijn pikte. ‘Dat merkt het drankorgel toch niet’, waren zijn woorden.

‘Waarom doe je dat in vredesnaam?’ Zijn stemgeluid zakte. ‘Toen wij in scheiding lagen, betaalde zij met míjn bankpas de kosten van háár advocaat.

Mocht ik ooit de neiging krijgen om uit hebzucht, onverschilligheid of boosheid spullen te ontvreemden dan vertrouw ik erop dat bij mij de alarmbellen afgaan. Als ik een paperclip achteroverdruk geeft dat mij al een slecht gevoel.

Wanneer er bij Albert Heijn per ongeluk iets in mijn boodschappenkar blijft liggen, loop ik naar de servicebalie om het alsnog te betalen.

Het is 1981. Met twee vingers strijk ik over de bewasemde spiegel. Ik staar naar mijn evenbeeld. Mijn natte haren druppen op het azuurblauwe douchematje. ‘Lijk ik op mijn moeder?’, mompel ik tegen mezelf.

Het matje is zo blauw als de kozijnen van de huizen op het Griekse eiland Kos. En het is met wit glansdraad omrand. In het midden staat met sierlijke letters CONTIKI.

‘Mam, heb jij dat matje meegenomen?’

Een herinnering aan de Griekse zon mijn kind.’

‘Wie steelt is een dief! Hoe kun je? Waarom koop je niet zo’n ding bij de Hema?’

Ach, één zo’n matje. Daar ligt het hotel niet wakker van hoor.’

‘Gestolen goed gedijt niet. Dat zeg jij toch altijd?’

Mijn moeder haalt haar schouders op en slentert de badkamer uit. Ik loop naar mijn slaapkamer en smijt de deur dicht.

Die mat was het begin van mijn moeders wat-kan-mij-het-bommen-mentaliteit. Voor mijn moeder was het te laat om tot inkeer te komen.

Maar ik vertrouw op míjn alarmbellen.

Categorieën
Uncategorized

HEGGENSCHAAR

‘Zo, daar ben je volgens mij wel aan toe.’

Ik sta tegenover onze tuinman in mijn badjas. Ik reik hem koffie en een koek aan. Tuinman Piet maakt onze tuin winterklaar. Hij gaat de buxusbollen snoeien. Onze zwarte kat schuurt langs zijn laarzen. Ik kijk naar mijn rode sloffen.

‘Wat zie je aan mij?’ Zijn lichtblauwe ogen kijken me aan zonder te knipperen.

Ik voel dat ik bloos en ik zie dat hij het opmerkt.

‘Eh’, begin ik voorzichtig.

‘Je ziet het echt niet hè?’

Een vleug eau de toilette prikkelt mijn neus, geur Axe vermoed ik. In ieder geval is het geen Chanel.

Hij roert in zijn koffie en neemt een hap van zijn gevulde koek. Ik spiek nog een keer naar hem. Ongeschoren kop, groene laarzen met stalen neuzen en dezelfde korte broek en polo als vorige week. Op het terras staan de groenbakken en een emmer voor het snoeiafval. De heggenschaar ligt ernaast.

‘Simone, ik heb mijn haar gemillimeterd.’

‘Heb je dat zélf gedaan?’

‘Met deze.’ Hij pakt de heggenschaar en hij knipoogt naar me.

‘Als je buxusbollen in vorm kunt snoeien, kun je ook zelf je haren wel knippen.’

Mijn man komt het pad opgelopen met een sigaar tussen zijn lippen en het Utrechts Nieuwsblad onder zijn arm.

‘Hans, als je wilt knip ik ook jouw haren’, zegt de tuinman.

‘Schat, dat scheelt je € 49,–‘, flap ik eruit.

Onze tuinman kijkt me verbijsterd aan en laat van schrik zijn heggenschaar vallen.

‘Wáát, betalen jullie € 49,– om je haar te laten knippen? Zeker in de stad?’

‘Wij gaan in Amsterdam naar de kapper.

Hans snelt naar binnen. En ik kan mijn tong wel afbijten.

Onze tuinman zet zijn koffiemok op de terrastafel en kijkt me met grote ogen aan.

‘He-le-maal naar Amsterdam? De rit ernaar toe kost je al een vermogen.’

Snel volg ik Hans naar binnen. Vanuit het raam zie ik hoe de tuinman een paar passen naar achteren zet. Met fijngeknepen ogen en een knik stelt hij vast dat hij de buxusbol symmetrisch heeft gesnoeid.

Binnenkort rijd ik naar Amsterdam om mijn haren in de verf te laten zetten. Dan ben ik zowat het driedubbele kwijt. Maar geen haar op mijn hoofd die er aan denkt om hem dat te vertellen.

Categorieën
Uncategorized

QR-CODE

‘Nee, ik heb mijn mobiel niet bij me’, zegt de man met de donkere krulsnor tegen zijn vrouw. Hij voelt weer in zijn binnenzak.

De vrouw van de krulsnor is het type vrouw dat weleens een joint rookt. Ze draagt een wijd, donkerpaars gewaad tot aan haar enkels. Haar krullende oranje haar zit als een toef bovenop haar hoofd.

Mijn man en ik staan buiten in de rij voor de stadsschouwburg in Utrecht. We gaan naar Herman van Veen. Ik knijp mijn man in zijn hand. Sinds Corona is dit ons eerste uitje naar de schouwburg. Wij lazen boeken en keken samen op de bank naar tig series. We vonden het knus, helemaal als de open haard brandde. Maar na een week of twee snakte ik naar iets buitenshuis. Nu jubelen we als kinderen die voor de poort van de Efteling staan.

‘Zit die niet in jouw handtas?’, vraagt de man aan zijn vrouw. Ze grabbelt in haar oranje buideltas.

Ik kijk op mijn horloge. We hebben nog twintig minuten. ‘Ik wil nog wel een kop koffie’, zegt mijn man. ‘En ik moet plassen’, fluister ik in zijn oor.

‘Nee Frans, jouw mobiel heb ík niet bij me. Daar moet je zelf voor zorgen. Straks mogen we niet naar binnen.’ Ze rolt met haar ogen.

Het stel is aan de beurt. De jongen van de stadsschouwburg die de QR-codes controleert vraagt aan het echtpaar of er iemand thuis is. En of diegene een foto van de QR-code van meneer kan appen naar de mobiel van mevrouw, zodat hij de QR-code toch kan checken.

Ik kan mijn plas bijna niet meer ophouden en leun tegen een witte pilaar. Mijn man steekt een sigaar op. Iedereen die naar binnen wil heeft zijn mobiel in de aanslag.

Het paarse gewaad buigt zich over haar mobiel heen. Er parelen zweetdruppels langs haar slaap.

Ze slaakt een zucht. ‘Ja, daar komt ie’, en ze laat de foto met de QR-code van haar man zien. De schouwburgjongen houdt zijn apparaat erboven en scant de QR-code. Hoera, het is gelukt.

De jongen maakt een gebaar met zijn handen. ‘Doorlopen, u mag naar binnen.’ Het paarse gewaad kijkt vertwijfeld met haar telefoon nog in haar hand naar de schouwburgjongen.

Het doet me denken aan míjn werk. Om met het vliegtuig op tijd te vertrekken moet je de passagiers naar binnen heuen en als we geland zijn moet je ze er weer uitvegen.

Ook wij worden goedgekeurd. Ik sjees meteen door naar de toiletten en loop daar het paarse gewaad tegen het lijf.

‘Begrijpt u dat nou? Doen ze moeilijk over de coronapas en dan vergeten ze om míjn QR-code te scannen. Ikzelf ben helemaal niet gecontroleerd.’

‘Mevrouw, hoe kunnen ze ú nou over het hoofd zien.’

Categorieën
Uncategorized

VLEUGELS

Zet het hek open en vlieg uit.

Vlieg hoog.

Vlieg verder.

Blijf even hangen.

Niet te lang.

Vergeet niet

te genieten

van het uitzicht

van vandaag.

Categorieën
Uncategorized

RESIDEREN

Vlak achter mij schiet een mevrouw de delicatessenwinkel binnen. Aan de ene hand heeft ze haar dochtertje van een jaar of zeven. Aan haar andere hand omklemt ze een grote rieten mand.

Haar dochter heeft een lange blonde vlecht. Moeder heeft een net zo blonde boblijn en neerhangende mondhoeken.

Moeder loopt langs mij heen en duwt me omver met de enorme rieten mand. Ik zie dat de mand aan de binnenkant rood-wit geblokt is gevoerd. Ik schud mijn hoofd en merk dat ook mijn mondhoeken naar beneden zakken.

Dan schiet een vrolijke gedachte door mijn hoofd. De reden dat ik hier ben.

‘Wat heeft Mieke vandaag gekookt?’ vroeg mijn man deze morgen. Mieke zwaait samen met haar echtgenoot Ronald de scepter bij delicatessenwinkel Lekker in Driebergen. Ze heeft andijviestamppot met een gehaktbal gemaakt. Mijn antwoord deed mijn man glunderen.

‘Wat moet ik in hemelsnaam voor Louis en Juliëtte meenemen?’ Mevrouw de rieten mand stiert weer langs me heen en tilt een potje tapenade op. Ze kijkt er bedenkelijk bij. Mieke komt aangelopen en trekt ondertussen haar zwarte sloof recht. Ik open mijn mond en voordat ik iets kan zeggen begint de rieten mand te oreren: ‘Ik wil een cadeaupakket voor maximaal € 30,–. En ik heb ongelooflijke haast. Mocht mijn echtgenoot het niet goed genoeg vinden, dan kom ik ermee terug.’

Het meisje heeft met beide handen een doos chocolade vast. De chocolaatjes zijn in de vorm van een kus. ‘Deze wil ik hebbuh’, dreint ze.

Mieke blijft vriendelijk lachen. ‘Mevrouw, we hebben verrukkelijke rosé.’

‘Nee dame, geen rosé, die hebben we aan de Côte te kust en te keur.’ ‘U gaat met vakantie naar Frankrijk?’

‘Nee hoor, wij resideren daar. Aan de Côte, tussen Nice en Monaco. Mijn echtgenoot en ik willen een cadeau geven aan onze Franse vrinden.’

Mieke wisselt snel een blik met mij, trekt haar wenkbrauwen op en zegt: ‘ooooh, zit dat zo.’

Het drammertje met de blonde vlecht doet een duit in het zakje. ‘Wij hebben lekker een huis met een zwembad. En we hebben de zeeeee.’

Ik tuur in de tussentijd naar de fles Lingeparelrosé waar Mieke het net over had. Zou het wat voor mij zijn, vraag ik me af.

‘Mevrouw, vindt u het een idee als ik dan voor uw Franse vrienden een Hollands pakket samenstel. We hebben worst uit Lunteren, huisgemaakte amandelkrullen, biertjes uit de Utrechtse Heuvelrug en zal ik er dan toch die Lingeparelrosé uit de Betuwe bij doen? Hij heeft een lichte bubbel en het is weer eens iets anders dan de Franse rosé.’

De rieten mand slaakt een zucht. ‘Doet u dan maar. Wel héél feestelijk inpakken alstublieft.’ Ze kijkt streng. ‘Wij gaan nu naar de Albert Heijn en binnen een kwartier zijn we terug.’ Ze pakt haar dochter vast bij haar bovenarm en beent de zaak uit.

‘Mensen hebben moeite met keuzes maken en vooral als ze gehaast zijn. Wij geven ze een zetje in de goede richting’, vertrouwt Mieke mij toe nadat moeder en dochter zijn vertrokken.

‘Ai, keuzes maken vind ik ook zo moeilijk’, biecht ik aan Mieke op. ‘Waar zou dat vandaan komen?’

‘Uit perfectionisme’, antwoordt Mieke gedecideerd.

Of omdat het nooit goed genoeg is, denk ik bij mezelf. Gelukkig maak ik mijn man blij met andijviestamp en een bal.

Categorieën
Uncategorized

VRIENDEN VAN HET EERSTE UUR

Op het pad staan zeven tjokvolle vuilniszakken. Dat is mooi, want de vuilniswagen komt vanmiddag.

Voordat ik van Leiden naar Driebergen verhuis, dient er eerst in het huis van manlief grondig te worden opgeruimd en schoongemaakt.

Oei, op het moment dat mijn man en ik zak acht volstouwen horen we de bekende tuut-tuut-tuut van de aankomende vuilniswagen.

‘Jammer, te laat’, mompelt mijn man.

Ik werp hem een snelle blik toe. ‘Oh ja? Moet jij eens opletten’ en ik stuif het pad op.

‘Joehoe, joehoe mannen. Ik heb hier nog het een en ander.’ Er kijken drie mannen naar mij, de eerste met een heel neutrale blik. De tweede heeft een groen baseballpetje op en kijkt verbaasd. De derde is de chauffeur. Hij heeft gespierde, getatoeëerde armen en draagt een gouden ketting, model hondenriem. Hij lacht me toe. Gouden ketting zet zijn wagen in zijn achteruit. De twee andere mannen lopen met mij het pad op en zijn reuze behulpzaam met het sjouwwerk. Dat had manlief niet gedacht.

Een week later wil mijn auto niet starten. En wie komen daar net het Burgemeesterpark opdraaien? Jawel, de vuilnismannen. Lachend duwen ze mijn oude, rode Saxootje aan. Ik bedank hartelijk en zwaai nog eens enthousiast. Vanaf dat moment bestempel ik de heren als mijn vrienden van het eerste uur. Wekelijks wanneer ze voor onze deur staan, toeteren ze en de Gouden Ketting zwaait breed lachend naar me en ik wuif terug. Het word een ritueel.

Af en toe kom ik ze elders in het dorp tegen. ‘Jaaa, ik had je al van verre gespot en wat zie je er goed uit vandaag’, zegt Gouden Ketting. Mm, mij valt op dat zijn fijngeknepen ogen glimmen. Een paar weken later gaat het nog een stap verder. Wanneer de vuilniswagen voor ons huis staat, krijg ik zelfs kushandjes toegeworpen. Brrrr, dat is mijn bedoeling niet en ik tracht dit met verbazing op mijn gezicht duidelijk te maken. Mijn non-verbale boodschap komt klaarblijkelijk niet over. Met als gevolg dat wanneer ik weer de bekende tuut van de vrachtwagen hoor, ik vliegensvlug de luxaflex dichtmaak. Als ik daar net te laat voor ben, duik ik onder de vensterbank.

Op een dag kom ik thuis van boodschappen doen en worden de vuilnisbakken net geleegd. Zonder blikken of blozen groet ik de heren opgewekt en wil ik de geleegde grijze bak weer het pad optrekken.

‘Ben je komende dagen lekker vrij?’ Gouden Ketting kijkt me verlangend aan. ‘Zullen we dan samen naar de sauna gaan?’ Ik weet geen woord uit te brengen en ik sta de man verbijsterd aan te kijken.

‘Dat doen we dan als je man aan het werk is’, probeert hij nog. Wat denkt hij wel, schiet het door me heen en ik loop hoofdschuddend het pad op.

Ik dacht dat ze alleen vuilnis oppikten.

PS: Dit verhaal speelt zich 13 jaar geleden af. De bewuste vuilnisman was kort na dit incident niet meer in beeld.

Categorieën
Uncategorized

LIEVE JONGEN

November 2013.

De fitness waar ik kom, in het Gezondheidscentrum Driebergen aan de Korte Dreef, is geen gewone fitness.

Het is een fysiofitness met in de zaal veertien apparaten en één staande spiegel. Je fitnesst in een fysiopraktijk onder begeleiding van een fysiotherapeut.

Hier geen zwetende macho’s die hun getatoeëerde armen en joekels van spierballen maar wat graag showen. In dit zaaltje word je niet opgehitst om al na drie minuten door te moeten naar het volgende apparaat. Er zijn geen televisieschermen en er is geen lawaai.

Nee, hier maken de seniorenplus de dienst uit. Ze komen aangeschuifeld op hun orthopedisch schoeisel of achter een rollator. Zij kleden zich niet om in uitdagende pakjes. De therapeut helpt hen behoedzaam op de fiets. Na een minuut of twintig zijn ze toe aan koffie.

Ik ben zwaar in de minderheid. Gehuld in een strakke, kobaltblauwe outfit werk ik binnen een uur tien apparaten af. Geconcentreerd step ik me in het zweet. Op mijn vraag of de airco aan mag sputteren de oudjes fel tegen. Er komt een broze dame van tachtig-plus de fitnesszaal binnen. Ze kijkt naar me alsof we bekenden zijn en we groeten elkaar. Ik ken haar echter niet. Opnieuw werpt ze haar blik op mij. Ik voel me ongemakkelijk. Nu staart ze me onderzoeken aan. Ik heb geen idee waarom. Het dametje buigt haar hoofd om mij van de zijkant nog beter te kunnen bekijken. Ze gaat dichterbij me staan. Uit mijn ooghoeken zie ik dat de Ellert-Jan, de fysiotherapeut, het tafereel gadeslaat.

Ik haal diep adem en verzucht ‘mevrouw, u kijkt zo naar me. Mag ik vragen waarom?’ ‘Ja’, antwoordt ze met een zachte stem. Ze brengt haar mond tot aan mijn oor en fluistert: ‘weet je op wie je zo lijkt? Je lijkt sprekend op mijn schoonzoon.’

‘Op uw schoonzoon?’, vraag ik vol ongeloof. Ik werp een blik in de spiegel en duw mijn, door de sportbeha ietwat geplette borsten goed vooruit om te benadrukken dat ik toch echt een vrouw ben.

Het is een lieve jongen hoor’, antwoordt ze en ze schuifelt verder.

Categorieën
Uncategorized

OP HANDEN EN VOETEN

‘Ik ben mega beroerd!! Ik kon nauwelijks de trap op!!! Op handen en voeten.’

Ik stap uit de douchecabine en ik lees dit whatsappje. Oh nee,lieve Maarten, help wat is er met je aan de hand?

Maarten woont om de hoek. Hij is gezegend als vijftigplusser met een jongensachtig uiterlijk. En hij draagt nog altijd de studentikoze outfit bij uitstek: rond brilletje, gaatjesschoenen en lichtblauwe hemden met opgerolde mouwen. Daarnaast heeft hij, en dat spreekt mij als literatuurliefhebber wel aan,  de dictie van Adriaan van Dis.

Ik sta te druppen op de badkamervloer, maar ik moet er nu naar toe. Snel. Hollen. Erheen. Ik voel me nu net zo als tien jaar geleden. Toen raakte mijn man buiten kennis door hevige pijnen van een gezwel in zijn onderrug. Ook toen kwam ik net onder de douche  vandaan en rende ik halfnaakt naar buiten om de ambulancebroeders toe te schreeuwen waar ze moesten zijn.

Snel schiet ik mijn ondergoed en de dichtstbijzijnde jurk aan. Hup, naar Maarten.

Wat zou er in vredesnaam aan de hand zijn? Gisteravond zaten we nog met zijn allen in zijn achtertuin. Hij vulde de glazen met Pinot Grigio en serveerde toast met zalm.

Ik zie voor me hoe hij op handen en voeten via zijn open wenteltrap helemaal naar boven klautert. Een hand, een voet en weer een hand en een voet, om telkens uitgeput te moeten pauzeren.

 Het is vast zijn hart. Of heeft hij voedselvergiftiging opgelopen?  Misschien van de zalm die iets te lang in de zon lag. Hoe kom ik straks zijn huis binnen? De buren naast hem hebben  een sleutel, maar die liggen te zonnebaden aan hun zwembad in Spanje.  Als ik straks sta te roepen, hoop ik dat hij me hoort. In gedachte zie ik de ambulance al voor zijn huis.   

Oké, rustig aan. Eerst bel ik hem.

‘Ha Simoon.’

‘Maart, wat fijn dat je opneemt.’

Ach, ik voel me al stukken beter.’

‘Hè, maar wat heb je dan? Ik dacht dat het iets hééééél  ergs was.’

‘Weet je nog? Gistermiddag heb ik mijn 2e shot tegen Corona gekregen. Bijverschijnselen.

‘Maart, ik dacht dat je zowat dood ging’.

Hij begint te lachen. ‘Siem, je moet mijn whatsappjes niet te serieus nemen. Ik wilde mijn mottige gevoel even met iemand delen. Als er echt iets is dan bel ik. Maar lief dat je zo bezorgd was.

Ik laat me vallen op een stoel. Mijn jurk zit binnenstebuiten en mijn haar drupt op het kussen.

 Maarten op handen en voeten krijg ik niet meer van mijn netvlies.

Categorieën
Uncategorized

INWONING

februari 2015

Dinie voelt over mijn buik. Wat zijn haar handen ongelooflijk warm. Ze zijn groot, rimpelig en door de zon poepbruin geblakerd. Ik voel door mijn dunne truitje heen de ruwheid van haar handen en de kracht die ervan uitgaat.

Dinie noemt zichzelf een natuurkundig therapeut en heldervoelend. Vijf minuten geleden mocht ik in haar wachtkamer plaatsnemen. De wachtkamer bestaat uit één keukenstoel op de overloop met daarnaast een stapeltje beduimelde tijdschriften.

 Ik was ruim op tijd aangekomen op de Utrechtse Heuvelrug, in het pittoreske dorp Amerongen. Nerveus wachtte ik tien minuten in de auto. Tijd genoeg om de buurt wat te observeren: een rustig straatje met arbeiderswoningen uit de jaren vijftig. Aan de rechterkant zie ik een vensterbank tjokvol met glimmende beeldjes. Mijn moeder zou dit een Zangeres-zonder-naam-interieur hebben genoemd. Om vervolgens te zeggen: ‘je zou het niet denken, maar die beeldjes zijn heel duur.’

 Op rechts zie ik een jongedame, gehuld in een namaakbontjas, met aan de lijn een potige pitbull. Joviaal steekt ze haar hand op naar haar buurman die achter het raam zit.

 Dat ik naar mevrouw Dinie ga, is niet zomaar voor een check-up. Al maanden ervaar ik een ondefinieerbaar gerommel in mijn buikstreek. Voor mijn KLM-baan kom ik de laatste tijden veel in Dar es Salaam, Accra en Lagos. Misschien heb ik daar iets opgelopen?

 ‘Ah’, zegt Dinie, ‘je hebt inwoning’. Deze kreet laat ik even op me inwerken. Het klinkt heerlijk volks met een Utrechtse tongval, maar wat moet ik me voorstellen bij het begrip inwoning?

Dinie voelt verder. Ze heeft haar ogen gesloten en ze gaat geconcentreerd te werk. ‘Je Epstein Barr-virus is ook nog actief.’ Ik richt me wat op en kijk haar met verbazing aan. ‘Dat betekent toch Pfeiffer? Dat heb ik inderdaad gehad.’

Dinie vertelt me dat mijn lever het druk heeft met de inwoning. De inwoning betreft wormpjes. Om mijn lever te reinigen adviseert ze capsules mariadistel. En wormpjes houden niet van chloor, vertelt ze.  Natuurlijk niet het chloor uit je keukenkastje. Ze legt mij uit dat het lichaam is opgebouwd uit trillingen. En ze heeft voor mij draadjes geladen met chloortrillingen  die ik op mijn huid moet dragen. Om de Pfeiffer de kop in te drukken adviseert ze draden met  goudtrillingen.  Beide draden kan ik in mijn bh dragen. Chloor op links, goud op rechts en niet anders. Enkele minuten later sta ik weer buiten, honderdtwintig euro armer, zeventig euro voor het consult en vijftig euro voor de draadjes.

Enigszins beduusd rij ik naar huis. Het begrip inwoning en wormen rond de lever dringt nu pas tot me door. En dan die ‘medicijnen’ in de vorm van draden. Ik besluit naar de huisarts te gaan. Ik doe mijn verhaal, de draden durf ik niet te laten zien. Ook vertel ik over mijn buikkrampen en migraine van de afgelopen maanden. Ik krijg een potje mee. Mijn ontlasting moet op kweek worden gezet. Aan de binnenkant van het dekseltje zit een spatel. Het is me duidelijk. De huisarts drukt me op het hart om het potje niet overdadig te vullen en vooral goed dicht te draaien.

Een week later kan ik bellen voor  de uitslag. De doktersassistente bevestigt de inwoning in de vorm van een amoebe en een blastocystisch (darmparasiet). Vanwege mijn klachten schrijft de huisarts een kuur voor die ik bij de apotheek moet ophalen.

De apotheekmedewerkster geeft uitleg over de kuur. Een tiendaagse kuur en gedurende 12 dagen geen druppel alcohol. ‘Daar zult u kotsmisselijk van worden’, zegt ze.

‘Op Dinie’ zeg ik die avond, ‘die toch maar mooi gelijk had.’ Mijn man en ik proosten met een glas Pinot Noir. Die kuur kan wel een dagje wachten.